WPNR 2015, afl. 7045 - Enkele opmerkingen naar aanleiding van het verbod op staatssteun
Aflevering 7045, gepubliceerd op 10-01-2015 geschreven door Mr. V. van den BrinkDat ik mij graag heb laten strikken voor het schrijven van een korte bijdrage aan het WPNR ter gelegenheid van het afscheid van Arthur Hartkamp als redacteur, houdt verband met de omstandigheid dat mijn juridische loopbaan op vele plaatsen verstrikt is met die van Arthur. In het laatste jaar van mijn rechtenstudie liep ik zijn kamertje binnen in het Molengraaff instituut - behalve advocaat-generaal bij de Hoge Raad was Arthur in die tijd bijzonder hoogleraar in Utrecht - met het voorstel een scriptie bij hem te schrijven over het onderwerp ‘de rechtshandeling in strijd met de goede zeden’. Ik herinner mij nog goed zijn verraste, misschien wat geamuseerde, maar in ieder geval ook welwillende blik. Jaren later - ik was na mijn afstuderen eerst advocaat geworden - strikte Arthur mij voor een baan bij het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad, waar ik vijf jaar als gerechtsauditeur heb gewerkt, waarvan twee jaar als zijn medewerker. In die ‘WB-jaren’ vatte ik het idee op mijn scriptieonderwerp nog eens ter hand te nemen, wat uiteindelijk leidde tot een promotieDe rechtshandeling in strijd met de goede zeden, diss. 2002. in Amsterdam bij Arthur, die daar inmiddels bijzonder hoogleraar was geworden aan de Universiteit van Amsterdam. Ook na die promotie bleven we elkaar tegenkomen, bijvoorbeeld toen ik een bijdrage schreef voor de kloeke bundel(s) over het Europese rechtDe invloed van het Europese recht op het Nederlands privaatrecht, deel I en II (2007). die Arthur - inmiddels verbonden aan de Radboud Universiteit - op touw had gezet, maar ook in het kader van een aantal arbitragezittingen waarbij ik het genoegen had met hem te raadkameren en te beslissen over financiële belangen van een omvang die de overheidsrechter maar zelden van dichtbij ziet. Verbonden zijn wij ook door onze belangstelling voor het terrein van de nietigheden van art. 3:40 BW. Een interessante en stimulerende ontwikkeling in het denken daarover was dat Arthur na zijn afscheid als procureur-generaal bij de Hoge Raad met overgave in het EU-recht gedoken is, en daarbij meteen ook omstreden vraagstukken te lijf ging over bijvoorbeeld de noodzaak bepaalde uit het EU-recht voortvloeiende nietigheden ook ambtshalve toe te passen. Dat leidde er onder meer toe dat Arthur ook op het terrein van het procesecht - waar hij tot dan toch niet zo heel graag verzeild raakte - stelling nam en in discussie gingZie onder meer: Hartkamp, Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden naar Europees recht en naar Nederlands recht, rede 2007; Loos, Ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten. Heeft de Hoge Raad de jurisprudentie van het Hof van Justitie gemist? WPNR (2007) 6727, reactie Hartkamp met naschrift Loos in WPNR (2007) 6736, en Snijders, Arbitraal beding en EU-recht, ambtshalve rechterlijk optreden in dat verband, TvA 2010, afl.1, waarin weer verwezen wordt (voetnoot 4) naar Snijders, WPNR (2008) 6761, reactie Hartkamp met naschrift van Snijders in WPNR (2008) 6779; Hartkamp, WPNR (2009) 6813 reactie Snijders WPNR (2009) 6823.. Het onderwerp dat ik in deze bijdrage wil aansnijden, een tweetal gevallen van staatssteun, houdt met die ‘Europese’ nietigheden verband maar is misschien iets minder omstreden, zij het ingewikkeld genoeg. Ook hier gaat het om de vraag hoe het eigenlijk werkt, dat nationale instrumentarium dat ervoor moet zorgen dat Europese regels en beginselen doorwerken in onze nationale horizontale privaatrechtelijke verhoudingen.