WPNR 2016, afl. 7100 - Naschrift
Aflevering 7100, gepubliceerd op 26-03-2016 geschreven door Prof.mr. J.W.A. BiemansDe beperking van de positie van de schuldeisers in het algemeen ten opzichte van de huidige situatie staat centraal bij het pleidooi voor standaard beneficiaire aanvaarding, alsook bij het wetsvoorstel BETSZie recentelijk de Nota aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2015-2016, Kamerstukken 34 224, nr. 5, zoals ook besproken in de Notamail 2016/61. en zijn voorganger. De beperking van deze positie vormt zelfs de kern van het pleidooi voor een standaard beneficiaire aanvaarding. Deze positie is dus meegenomen, alleen is de afweging van belangen daarbij anders uitgevallen.Zie bijvoorbeeld het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen!?’, p. 3-4: “Als de erfenis niet voldoende verhaal voor de schuldeisers biedt, dan moet de erfgenaam dit uit zijn eigen vermogen ‘bijplussen’. Dit leidt ertoe dat schuldeisers bij solvabele erfgenamen een betere positie krijgen dan vóór het overlijden: hij heeft daarmee als het ware een dubbel verhaalsrecht, namelijk op de erfenis en op het eigen vermogen van de erfgenaam.” Vergelijk voorts mijn bijdrage ‘Reactie op het concept-Wetvoorstel bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden’, WPNR 2014/7019, par. 2: “Op grond van de bescherming van de erfgenaam tegen de nadelige gevolgen van het zuiver aanvaarden van een negatieve nalatenschap ligt beneficiaire aanvaarding als uitgangspunt daarom voor de hand. Dan zou (terecht) afscheid worden genomen van de regel dat de schuldeisers van de erflater zich na het overlijden van hun schuldenaar óók op het privévermogen van de erfgenaam kunnen verhalen. Dat is een (onverdiende) verbetering waar schuldeisers in een faillissement alleen van kunnen dromen.” Deze afweging is in de kern als volgt. De schuldeisers kunnen na het overlijden van de erflater bij zuivere aanvaarding niet alleen verhaal nemen op de goederen van de nalatenschap, maar ook verhaal nemen op de privévermogens van de erfgenamen. Voor een dergelijke uitbreiding van verhaalsmogelijkheden bestaat geen goede grond. De schuldeisers zijn aldus gebaat bij het overlijden van hun schuldenaar. In de praktijk worden de erfgenamen daarvan wel degelijk de dupe. De realiteit is immers dat de erfgenamen - met name in sociaal-economisch zwakkere milieus - door onwetendheid en/of door financieel onvermogen niet beneficiair zullen aanvaarden, maar (onbewust) zuiver zullen aanvaarden, waardoor zij aansprakelijk worden voor schulden die zij niet zelf zijn aangegaan. Deze onrechtvaardigheid wordt tegengegaan indien wordt gekozen voor standaard beneficiaire aanvaarding.