WPNR 2016, afl. 7113 - Belastingrecht Actueel
Aflevering 7113, gepubliceerd op 02-07-2016 geschreven door Prof. dr. R.N.G. van der PaardtDe vestiging van een erfpachtrecht geeft in de praktijk aanleiding tot discussie over de wijze waarop de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting dient te worden berekend. De wettelijke basis is art. 9, eerste lid van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR); de belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak of het recht waaraan deze onderworpen is, waarop de verkrijging betrekking heeft en de waarde is ten minste gelijk aan de tegenprestatie. In art. 11, eerste lid WBR is vervolgens aangegeven dat bij verkrijging van een erfdienstbaarheid of een recht van erfpacht, opstal of beklemming de waarde wordt vermeerderd met die van de canon (retributie of huur), met dien verstande dat de som van beide waarden niet hoger wordt gesteld dan de waarde van de zaak waarop het recht betrekking heeft. Vervolgens is in bijlage b bij het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (hierna: Uitv. besl. BR) een tabel opgenomen om de canon te kapitaliseren, waarbij is aangegeven dat de kapitalisatie niet hoger is dan 17 maal de canon. In de praktijk is dat het geval bij een looptijd van het recht van ongeveer 52 jaar of langer. Nemen we een simpel voorbeeld van een perceel bosgrond waarop een zeventig jarig erfpachtrecht wordt gevestigd waarvoor een eenmalige vergoeding verschuldigd is van € 100.000 en een jaarlijkse canon van € 10.000, dan is de maatstaf van heffing € 100.000 + 17 x € 10.000 = € 270.000. Zou in dit voorbeeld de (volle eigendoms-)waarde van het bosperceel € 250.000 zijn, dan wordt de maatstaf van heffing gesteld op € 250.000, gelet op de laatste passage van art. 11, eerste lid WBR.