WPNR 2017, afl. 7133 - Het 'zilveren' vuistloos en stil pandrecht
Aflevering 7133, gepubliceerd op 14-01-2017 geschreven door Prof. mr. A.I.M. van MierloHet Nieuwe Burgerlijk Wetboek viert zijn zilveren jubileum; op 1 januari 2017 is het vijfentwintig jaar geleden dat de Boeken 3, 5 en 6 en delen van Boek 7 BW werden ingevoerd. Op het terrein van het zekerhedenrecht bracht het Nieuwe BW een spectaculaire wijziging. De in 1929 door de Hoge RaadHR 25 januari 1929, NJ 1929/616 (De Haan/Heineken) en HR 21 juni 1929, NJ 1929/1096 (Hakkers/Van Tilburg). Zie nader A.I.M. van Mierlo, Fiduciaire zekerheid, vuistloos en stil pand (diss. Nijmegen) 1988. Zie over de nieuwe regelgeving ook W.H.M. Reehuis, Stille verpanding (diss. Groningen) 1987; A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vorderingen op naam (diss. Nijmegen) 2008; H. Logmans, Zekerheid op lading: pandrecht en retentierecht op roerende zaken en cognossement in het handelsverkeer (diss. Rotterdam) 2011; K.J. Krzeminski, ´ Herverpanding (diss. Rotterdam) 2013; B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen (diss. Nijmegen) 2016 en F.J.L. Kaptein, Pandrecht (diss. Groningen) 2016. Zie voorts A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012 en F.M.J. Verstijlen, Algemene bepalingen pand en hypotheek (Mon. BW nr. B11) 2013. erkende en sindsdien in talloze arresten nader tot wasdom gekomen fiduciaire zekerheidsoverdracht van - in het bijzonder - roerende zaken en vorderingen op naam werd afgeschaft door een verbod op fiduciaire titels (art. 3:84 lid 3 BW) en vervangen door nieuwe regelgeving omtrent verpanding. Wie voortaan roerende zaken of vorderingen op naam tot zekerheid voor de nakoming van een schuld wil verbinden, dient een vuistloos pandrecht (art. 3:237 BW) onderscheidenlijk een stil pandrecht (art. 3:239 BW) te vestigen. Op 1 januari 1992 bestaande - ‘overlopende’ - fiduciaire zekerheidsoverdrachten werden krachtens overgangsrecht (art. 86 Overgangswet) van rechtswege omgezet in dergelijke pandrechten. Vijfentwintig jaar later valt te constateren dat de ‘wisseling van de wacht’ goed is uitgepakt. Het vuistloos resp. stil pandrecht voldoet mijns inziens aan de eisen van de rechtspraktijk. De Hoge Raad heeft hierbij een zeer belangrijke – rechtsvormende - rol gespeeld door in een aantal baanbrekende uitspraken, naar het lijkt met oog voor de behoeften van de dagelijkse praktijk, nader vorm te geven aan deze rechtsfiguren. In het kader van deze bijdrage voert het te ver om al deze uitspraken in extenso te bespreken. Ik heb om die reden een selectie gemaakt van uitspraken waarin verschillende op het oog mogelijk rigide of onvolkomen wettelijke bepalingen worden ‘gemitigeerd’ of nader vorm gegeven met als gevolg een vergroting van de praktische hanteerbaarheid van het vuistloos en stil pandrecht. Deze selectie is ingegeven door persoonlijke smaak en zal mogelijk voor discussie vatbaar zijn. Voor meeromvattende beschouwingen verwijs ik gemakshalve naar de recent verschenen vijftiende druk van het deel Zekerheidsrechten in de Asser-serie.A.I.M. van Mierlo (m.m.v. K.J. Krzeminski), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. III. Vermogensrecht algemeen. Deel VI. Zekerheidsrechten. Deventer: Wolters Kluwer 2016.