WPNR 2017, afl. 7165 - De ouder-kindvrijstelling in de schenkbelasting
Aflevering 7165, gepubliceerd op 07-10-2017 geschreven door Mw. prof. mr. I.J.F.A. van VijfeijkenMet de invoering van het recht van schenking in 1917 heeft geen principiële discussie plaatsgevon-den over de rechtsgronden van deze heffing, laat staan over de vrijstellingen die tegelijkertijd werden ingevoerd. Zoals Sonneveldt in zijn bijdrage in dit themanummer over de rechtsgronden schrijft werd het schenkingsrecht als de evenknie van het successierecht gezien. Dat gold ook voor de vrijstellingen. Voor de motivering van de vrijstellingen voor schenkingen door de Koningin en de leden van het Koninklijk Huis, de schenkingen aan de Staat en de schenkingen aan een provincie of gemeenteArt. 80, sub 1o t/m 3o SW 1859. werd slechts verwezen naar het successierecht. Voor het overige hadden de vrijstellingen voor het schenkingsrecht een andere doelstelling dan de vrijstellingen voor het successierecht. Dit hangt mede samen met de invoering van het schenkingsrecht en daarmee met de formulering van het belastbaar feit. De vrijstellingen voor het successierecht hadden ten doel om de belastingdruk te verminderen, waar toepassing van het volle tarief te bezwarend werd geacht. De vrijstellingen voor het schenkingsrecht moesten voorkomen dat heffing plaatsvond over vermogensoverdrachten die weliswaar als schenking werden aangemerkt, maar waarvan de wetgever het desalniettemin onwenselijk vond om van te heffen.Zie J.P. Sprenger van Eyk, bewerkt door B.J. de Leeuw, De wetgeving op het recht van successie, van overgang en van schenking, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhof 1930, p. 783. Het gaat dan om schenkingen van kleine bedragen (de restvrijstelling zoals die in het huidige art. 33, sub 7o SW 1956 is opgenomen) en schenkingen die omwille van het motief tot een vrijstelling aanleiding gaven. Met het oog hierop werden de volgende vrijstellingen in het leven geroepen: de vrijstelling voor schenkingen gedaan aan iemand die niet in staat is zijn schulden te voldoen (het huidige art. 33, sub 8o SW 1956), de vrijstelling van schenkingen waarover ook inkomstenbelasting werd geheven (het huidige art. 33, sub 9o SW 1956), de uitkering uit werknemersstichtingen (het huidige art. 33, sub 10o SW 1956) en - in 1926 - de vrijstelling bij de voldoening aan een natuurlijke verbintenis (het huidige art. 33, sub 12o SW 1956).Deze vrijstelling is in beginsel overbodig, omdat de voldoening aan een natuurlijke verbintenis geen schenking is. Om te voorkomen dat een schenking werd vermomd als de voldoening aan een natuurlijk verbintenis werd al in 1926 de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als schenking aangemerkt. De vrijstelling bewerkstelligt dat de ontvanger van de prestatie dient te bewijzen dat sprake is van een natuurlijke verbintenis. Zie Kamerstukken II 1925-1926, 34, nr. 3, p. 7, r.k. Nagenoeg alle vrijstellingen voor de heffing van schenkbelasting zoals die nu in de wet staan opgenomen, vinden hun oorsprong derhalve in de invoering van het schenkingsrecht, honderd jaar geleden. Dit geldt niet voor de vrijstelling voor een schenking met betrekking tot de eigen woning van € 100.000, de vrijstelling voor de schenking van ondernemingsvermogen en de vrijstelling voor schenkingen aan een SBBI en de steunstichting SBBI. Deze vrijstellingen zijn van recente datum en zijn instrumenteel van aard. Voor de schenking van ouders aan kinderen werd in 1917 een eigen regeling ontworpen. In deze bijdrage staat deze vrijstelling centraal. Ingegaan wordt op de historie van deze vrijstelling, waarna wordt onderzocht of deze vrijstelling aan vernieuwing toe is.