WPNR 2017, afl. 7173 - Aandachtspunten voor notarissen en advocaten voor hun omgang met (potentieel) geconflicteerde bestuurders
Aflevering 7173, gepubliceerd op 02-12-2017 geschreven door Prof. mr. B.C.M. WaaijerNaar de huidige stand van de wetgeving geeft de wet een regeling over tegenstrijdig belang die verschilt al naar gelang de rechtspersoon waarom het gaat. Voor de vereniging, de coƶperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij geldt nog de zogeheten vertegenwoordigingsregel. Heeft de rechtspersoon een tegenstrijdig belang met een of meer bestuurders of commissarissen, dan kan de algemene vergadering een of meer personen aanwijzen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen (art. 2:47 BW en art. 2:53a lid 1 BW). Wordt die regel niet nageleefd en handelt het bestuur of de aangewezen bestuurders volgens de hoofdregel van art. 2:45 BW dan vindt geen vertegenwoordiging plaats zodat de beoogde rechtshandeling niet tot stand zal komen. Of die regel nageleefd moet worden omdat sprake is van tegenstrijdig belang is een vraag op zichzelf, die rechtsonzekerheid bij de rechtspersoon en bij derden kan oproepen. De Hoge Raad heeft ter zake kapitaalvennootschappen bepaald dat sprake is van tegenstrijdige belangen wanneer de bestuurder door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander belang dat niet parallel loopt met dat van de vennootschap, niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht.HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 (Bruil). Zoals over alles kan men ook van mening verschillen over de vraag of dat zich in concreto voordoet. Voor de N.V. en de B.V. kennen we inmiddels de besluitvormingsregel: een bestuurder of commissaris met een tegenstrijdig belang neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming (art. 2:129/239 lid 6 en 2:140/250 lid 5 BW). Wordt de regels over besluitvorming bij tegenstrijdig belang bij deze rechtspersonen niet gevolgd, dan zal het besluit vernietigbaar zijn. Het is immers in strijd met de bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (art. 2:15 lid 1 sub a BW). Een vernietiging van het besluit tast evenwel de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling die is verricht ter uitvoering van het besluit, niet aan. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en de bestuurders blijft ongewijzigd. Dat hoeft evenwel nog niet onder alle omstandigheden te betekenen dat daarmee een door de wederpartij afdwingbare rechtshandeling tot stand komt. Ingeval een derde wist van de gebrekkige besluitvorming binnen de rechtspersoon, komt weliswaar een rechtshandeling tot stand maar wordt de derde niet beschermd indien deze bewust profiteert van de schending van de tegenstrijdig belang regel, op zodanige wijze dat hij onrechtmatig handelt.Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen), Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 491, MvT, nr. 3, p. 12. De basis voor laatstgenoemde correctie is mijns inziens te vinden in het Bibolini-arrest.HR 17 december 1982, NJ 1983, 480. Zie ook de bijdrage van T.P. van Duuren in dit themanummer voor recenter jurisprudentie. Voor de stichting tenslotte, kent de wet geen regeling voor tegenstrijdig belang. Ook dat roept vragen op, bijvoorbeeld of bij tegenstrijdig belang wel rechtsgeldige vertegenwoordiging kan plaatsvinden.