Home

Hoge Raad, 15-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, 19/04321

Hoge Raad, 15-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, 19/04321

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 december 2020
Datum publicatie
15 december 2020
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1970
Formele relaties
Zaaknummer
19/04321

Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Ter uitvoering van Europees onderzoeksbevel dat was uitgevaardigd door justitiële autoriteiten van Frankrijk is ex art. 98 Sv onder diverse vennootschappen administratie in beslag genomen en zijn digitale gegevens vastgelegd, waarna notaris en notariskantoor o.g.v. art. 552a jo art. 5.4.10.1 Sv klaagschrift hebben ingediend. (Afgeleid) verschoningsrecht notariskantoor. Rb heeft klaagschrift n-o verklaard t.a.v. inbeslaggenomen papieren gegevens en beklag gegrond verklaard v.zv. dat ziet op vastgelegde digitale gegevens. 1. Beklagrecht klagers. Kan verschoningsgerechtigde als “belanghebbende” klaagschrift indienen, nu stukken en gegevens onder ander in beslag zijn genomen? 2. Tijdigheid klaagschrift. Is klaagschrift ingediend binnen 14 dagen nadat kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv aan beslagene heeft plaatsgevonden? 3. Gegrondverklaring beklag t.a.v. digitale gegevens en in handen van RC stellen van deze gegevens.

Ad 1. Blijkens wetsgeschiedenis van implementatie van EOB beoogde wetgever met in art. 5.4.10 Sv neergelegde regeling te bereiken dat in geval van uitvoering van EOB voor betrokkenen “dezelfde rechtsmiddelen openstaan als in Nederlandse zaak” en dat daarbij “beklagprocedure van art. 552a Sv als belangrijkste rechtsmiddel geldt”. In het licht hiervan moet art. 5.4.10 Sv zo worden begrepen dat voor verschoningsgerechtigde ook beklagmogelijkheid van art. 552a Sv openstaat ingeval i.h.k.v. uitvoering van EOB stukken en/of vastgelegde gegevens in beslag zijn genomen en dat daarbij in beginsel ook uitgangspunten en regels gelden die in eerdere rechtspraak (o.a. ECLI:NL:HR:2018:1960 en ECLI:NL:HR:2020:1048) zijn geformuleerd i.v.m. gevallen waarin persoon met bevoegdheid tot verschoning a.b.i. art. 218 Sv met beroep op zijn verschoningsrecht opkomt tegen inbeslagneming van stukken en/of gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. Dat strookt ook met art. 14.1 Richtlijn en met de in art. 5.4.4 Sv tot uitdrukking gebrachte bedoeling van wetgever dat uitvoering van EOB dient te worden geweigerd indien en v.zv. wordt vastgesteld dat die uitvoering onverenigbaar is met verschoningsrecht. Tegen achtergrond hiervan dient art. 5.4.10 Sv zo te worden uitgelegd dat, indien stukken en/of vastgelegde gegevens onder ander dan verschoningsgerechtigde in beslag zijn genomen, verschoningsgerechtigde als “belanghebbende” klaagschrift kan indienen o.g.v. art. 5.4.10.3 jo. 552a Sv.

Ad 2. Ex art. 5.4.10.1 Sv dient OvJ in gevallen als i.c., waarin i.h.k.v. EOB stukken en/of vastgelegde gegevens in beslag zijn genomen, beslagene (indien geheimhouding van onderzoek daardoor niet in het gedrang komt) in kennis te stellen van zijn bevoegdheid om binnen 14 dagen na kennisgeving klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen bij Rb. Tegen achtergrond van wat hiervoor is overwogen over rechtspositie van verschoningsgerechtigde bij uitvoering van EOB brengt redelijke wetsuitleg met zich dat indien beslagene aanvoert dat voldoende concreet aangeduide geheimhouder bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen t.a.v. inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens dan wel indien OvJ anderszins reden heeft aan te nemen dat bepaalde geheimhouder die bevoegdheid kan uitoefenen, OvJ de verschoningsgerechtigde in kennis dient te stellen van zijn bevoegdheid om binnen 14 dagen na kennisgeving o.g.v. art. 98.2 Sv bezwaar te maken tegen inbeslagneming van stukken of vastlegging van gegevens en daarnaast klaagschrift o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv in te dienen bij Rb. Dat strookt ook met het uit art. 14.4 Richtlijn blijkende uitgangspunt. Daarom is i.c. niet beslissend op welk moment aan beslagene de kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10. Sv is gedaan. Redelijke wetsuitleg brengt met zich dat verschoningsgerechtigde binnen 14 dagen nadat aan hem desbetreffende kennisgeving is gedaan dan wel (indien die kennisgeving niet is gedaan) nadat hij anderszins heeft kennisgenomen van beslag en voor hem kenbaar is dat dit beslag ziet op stukken en/of gegevens waarover mogelijk zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, hiervoor genoemde bevoegdheden kan uitoefenen. Blijkens haar overwegingen heeft Rb vastgesteld dat klagers geen kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10 Sv hebben ontvangen, hoewel deze klagers wel “verschoningsgerechtigden zijn in deze procedure”. Rb heeft verder vastgesteld dat klagers hun klaagschrift binnen 14 dagen na kennisname van beslag hebben ingediend. Op die vaststellingen gebaseerd oordeel Rb dat klaagschrift onder deze omstandigheden tijdig is ingediend, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Ad 3. O.g.v. art. 98.1 Sv is het eerst aan RC om te beslissen over beroep op verschoningsrecht dat is gedaan t.a.v. stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1960). Indien Rb bij behandeling van een o.g.v. art. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat klager m.b.t. inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat RC daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij behandeling van klaagschrift aan te houden en zaak in handen van RC te stellen teneinde beschikking te geven a.b.i. 98.1 Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1960 en ECLI:NL:HR:2018:553). Gelet hierop is oordeel Rb dat klaagschrift gegrond dient te worden verklaard v.zv. dat ziet op gegevens die Rb hiertoe in handen van RC heeft gesteld, onjuist.

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Vervolg op ECLI:NL:HR:2020:1228 (rolbeslissing). Samenhang met 19/03850 Br.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04321 Br

Datum 15 december 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2019, nummers RK 19/1854 en RK 19/1855, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

gevestigd te [plaats],

en

[klager],

hierna: de klagers.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klagers, V.J.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

Bij rolbeslissing van 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1228) heeft de rolraadsheer van de Hoge Raad beslist op een door het openbaar ministerie ingediend verzoek tot geheimhouding van bepaalde stukken.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft op 1 september 2020 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar alleen voor zover het beklag gegrond is verklaard, (dus) uitgezonderd de beslissing van de rechtbank dat de in de beschikking genoemde gegevens in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2. Waar het in deze zaak over gaat

De zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Frankrijk op adressen van diverse vennootschappen in Amsterdam en Den Haag administratie in beslag is genomen en digitale gegevens zijn vastgelegd. Namens de klagers - een notaris en het kantoor waarvan hij deel uitmaakt - is vervolgens een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend, omdat volgens de klagers het inbeslaggenomen materiaal en de vastgelegde gegevens gedeeltelijk onder hun (afgeleid) verschoningsrecht vallen. De rechtbank heeft het door de klagers ingediende klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat ziet op inbeslaggenomen papieren gegevens. De rechtbank heeft verder het beklag gegrond verklaard voor zover dat ziet op vastgelegde digitale gegevens.

3. Juridisch kader

3.1

In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang:

- Artikel 14 lid 1, 3 en 4 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de Richtlijn):

“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.”

- Artikel 98 lid 1 tot en met 5 Sv:

“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.

5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.”

- Artikel 5.4.4 lid 1, aanhef en onderdeel a, Sv:

“De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:

a. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan een verschoningsrecht, danwel onverenigbaar is met regels ter vaststelling en beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media.”

- Artikel 5.4.10 lid 1 en 3 Sv:

“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”

- Artikel 552a lid 1 en 3 Sv:

“1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens of het bevel, bedoeld in de artikelen 125k en 125p, ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”

3.2

De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel), Stb. 2017, 231, houdt het volgende in.

- In de memorie van toelichting:

“Na afronding van de uitvoering van het Europees onderzoeksbevel draagt de officier van justitie ervoor zorg dat de resultaten zo spoedig mogelijk ter beschikking komen van de uitvaardigende autoriteit (artikel 5.4.9, eerste lid). (...)De NOvA wees er in dit verband terecht op, dat indien ten aanzien van inbeslaggenomen stukken mogelijk een beroep op het verschoningsrecht kan worden gedaan, (...) ernstige schade zou kunnen ontstaan als voorlopige terbeschikkingstelling zou plaatsvinden en de rechter later (op basis van een beklagprocedure) tot de conclusie zou komen dat het verschoningsrecht gerespecteerd had moeten worden en inbeslagneming niet had mogen plaatsvinden. Om deze reden kan voorlopige terbeschikkingstelling in deze gevallen niet aan de orde zijn.

Aan deze richtsnoeren wordt in het wetsvoorstel op de volgende wijze uitvoering gegeven.(...)Tot slot staan voor betrokkenen dezelfde rechtsmiddelen - te denken valt onder andere aan beklag tegen inbeslagneming - open als in een Nederlandse zaak.

6. Rechtsmiddelen

De richtlijn stelt als uitgangspunt dat lidstaten in verband met de uitvoering of uitvaardiging van een EOB moeten voorzien in dezelfde rechtsmiddelen als die welke in geval van bevoegdheidsuitoefening in een nationaal strafrechtelijk onderzoek gelden.

Gekozen is ook hier voor de systematiek als voorgesteld in het wetsvoorstel herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken. Deze houdt in dat de beklagprocedure van artikel 552a Sv als belangrijkste rechtsmiddel geldt (...).

(...)Hiermee wordt een effectief rechtsmiddel voor de belanghebbende gecreëerd, mede ingegeven door de gedachte dat het waarschijnlijk - in praktische zin en mogelijk ook juridische zin - voor de belanghebbende moeilijker zal zijn om zijn rechten na overdracht van het bewijsmateriaal uit te oefenen in de uitvaardigende staat.”

(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 3, p. 11-13).

- In de nota naar aanleiding van het verslag:

“Eén van de gronden die tot weigering van het EOB kunnen leiden is een slagend beroep op het verschoningsrecht door een advocaat, indien het EOB bijvoorbeeld zou zien op inbeslagneming van correspondentie tussen de advocaat en zijn cliënt. Bepalend hierbij is de vraag of - aan de hand van de ter zake door de Hoge Raad bepaalde criteria - sprake is van een zeer zwaarwegend (opsporings)belang (in de zin van opheldering van het strafbare feit dat de buitenlandse justitiële autoriteiten onderzoeken), dat prevaleert boven het belang dat wordt gediend door het verschoningsrecht. De procedure op grond van de artikelen 98 en 218 Sv is van toepassing.

(...)

Ik kan de leden van de CDA-fractie een bevestigend antwoord geven op hun vraag of het conform de richtlijn nodig is om betrokkenen actief te informeren bij het inzetten van bevoegdheden. Dit volgt uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn. Gedachte hierachter is dat - in gevallen waarin geheimhouding niet is aangewezen - belanghebbenden zo optimaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot rechtsbescherming die het nationale recht hun biedt.” (Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 6, p. 8 en 13-14).

4. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

5. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

6. Beslissing