Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-03-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, C/02/300388 / HA ZA 15-375

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-03-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, C/02/300388 / HA ZA 15-375

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 maart 2019
Datum publicatie
30 april 2019
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2019:1450
Formele relaties
Zaaknummer
C/02/300388 / HA ZA 15-375

Inhoudsindicatie

Artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW en artikel 2:8 BW. Besluiten algemene vergadering van aandeelhouders en bestuur Stichting Administratiekantoor die zeggenschap familielid en 'ultimate beneficial owner' in familieonderneming uitsluiten vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Belanghebbenden artikel 2:15 lid 3 sub a BW. Vennootschapsrechtelijke werking overeenkomst tussen ultimate beneficial owners/familieleden. Vennootschapsbelang. Onrechtmatige daad bestaande in het niet benoemen van een familielid / 'ultimate beneficial owner als commisaris. Bevel tot het nemen van een besluit waarbij dit familielid of representant als commissaris wordt benoemd. Verjaring van vorderingen bestuurdersaansprakelijkheid. Afstand van recht. Bevel opheffing in buitenland gelegde conservatoire beslagen.

Uitspraak

vonnis

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/300388 / HA ZA 15-375

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te Støvring, Koninkrijk Denemarken,

2. de rechtspersoon naar het recht van het Vorstendom Liechtenstein

[eiser sub 2] ,

gevestigd te Vaduz, Vorstendom Liechtenstein,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. O.L.M. Heuts te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te Rotterdam (voorheen: Bergen op Zoom),gedaagde in conventie,eiseres in reconventie,

2. de stichting

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P. Haas te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het [Y] van de procedure blijkt uit:

– het vonnis in het incident van 16 november 2016 en de daarin genoemde stukken;

– de conclusie van repliek in conventie tevens houdende akte van wijziging van eis, met producties 75 t/m 156;

– de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met producties 71 t/m 132;

– het faxbericht van 16 juni 2017 van mr. Haas aan de rechtbank, met productie 82;

– de akte uitlating producties in conventie tevens houdende akte wijzigen van eis tevens houdende conclusie van dupliek in reconventie, met producties 157 t/m 225;

– de antwoordakte in conventie, tevens houdende akte uitlating producties in reconventie;

– de bij brief van 26 februari 2018 van de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan de rechtbank toegezonden akte overlegging producties, met productie 226 t/m 235;

– de bij brief van 26 februari 2018 van de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan de rechtbank toegezonden akte overlegging aanvullende productie, met productie 236;

– de bij brief van 27 februari 2018 door mr. Haas toegezonden akte overlegging producties, met productie 133;

– de bij brief van 24 april 2018 van de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toegezonden akte houdende wijziging van eis tevens akte overlegging producties, met productie 237 t/m 240;

– het proces-verbaal van de op 14 mei 2018 gehouden zitting en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is een houdstervennootschap in een groep van ondernemingen ( [A] ) die voorheen werden gedreven door de heer [eiser sub 1] [B] ( [B] senior). Uit het eerste huwelijk van [B] senior zijn drie kinderen geboren: [C] (hierna: [C] ), [D] (hierna: [D] ) en [eiser sub 1] . Uit een tweede huwelijk zijn twee kinderen geboren: [F] en [ZP] [eiser sub 1] [ZP] . Op 20 april 1999 is [B] senior overleden.

2.2.

[gedaagde sub 1] houdt thans nagenoeg alle aandelen in het kapitaal van [H] , voorheen genaamd [I] (hierna: [I] ), welke vennootschap op haar beurt (direct of indirect) aandelen houdt in diverse werkmaatschappijen die actief zijn in de productie en verkoop van keukens en huishoudelijke producten (o.a. [J] en [K] ). Daarnaast houdt [gedaagde sub 1] alle aandelen in het kapitaal van [L] (hierna: [L] ), welke vennootschap op haar beurt een belang had in diverse werkmaatschappijen die actief waren in de scheep- en luchtvaart. Een van de vennootschappen waarvan [L] de aandelen hield was [M] (hierna [M] ) die op haar beurt aandelen hield in [N] (hierna: [N] ) en [O] (hierna: [O] ). De laatstgenoemde vennootschap had op haar beurt belangen in [P] (hierna: [P] ). Verder hield [gedaagde sub 1] aandelen in [Q] (hierna: [Q] ) die een onderneming dreef in onroerend goed, alsmede in [R] (hierna: [R] ), een (sub)holdingmaatschappij van een tak waarin scheepswerven werden geëxploiteerd.

2.3.

Volgens de laatstelijk in 2010 gewijzigde statuten van [gedaagde sub 1] bestaat het bestuur uit één of meer bestuurders en bepaalt de raad van commissarissen het aantal bestuurders (artikel 18 lid 1). Artikel 18 lid 4 van de statuten bepaalt dat de directie zich zal gedragen naar door de algemene vergadering gegeven aanwijzingen betreffende de algemene lijnen van het te volgen financiële, sociale en economische beleid en van het personeelsbeleid in de onderneming van de vennootschap. De bestuurders worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van commissarissen (artikel 19 lid 1 en 2). De raad van commissarissen bestaat volgens artikel 23 lid 1 van de statuten uit ten minste drie natuurlijke personen, die volgens artikel 24 lid 2 van de statuten worden benoemd met inachtneming van het bepaalde in artikel 2:268 lid 2 tot en met 11 en 13 en artikel 2:269 lid 2 BW, derhalve in beginsel door de algemene vergadering op voordracht van de raad van commissarissen. Artikel 24 lid 4 van de statuten bepaalt dat een commissaris uiterlijk aftreedt per het tijdstip van sluiting van de algemene vergadering, eerstvolgende op de dag, gelegen vier jaar na zijn laatste benoeming, alsmede dat hij, onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 5 van artikel 24, steeds opnieuw benoembaar is. Artikel 24 lid 4 van de statuten bepaalt verder dat artikel 2:271 lid 1 BW op [gedaagde sub 1] van toepassing is. Volgens artikel 25 lid 3 van de statuten besluit de raad van commissarissen bij meerderheid van stemmen en heeft de president-commissaris bij staking van stemmen een beslissende stem. Besluiten van de algemene vergadering worden genomen met meerderheid van stemmen (artikel 30). Artikel 29 lid 4 van de statuten bepaalt dat directeuren en commissarissen een raadgevende stem hebben in de algemene vergaderingen.

2.4.

De aandelen in het kapitaal van [gedaagde sub 1] met het daaraan verbonden stemrecht in de algemene vergadering van [gedaagde sub 1] worden gehouden door [gedaagde sub 2] . Volgens artikel 5 lid 2 van de statuten van [gedaagde sub 2] bestaat het bestuur van [gedaagde sub 2] voor de eerste keer uit haar oprichter en, zodra de oprichter geen bestuurder meer is uit drie leden, waarvan er één wordt benoemd door het bestuur van [gedaagde sub 1] , de ander door de certificaathouders en de derde (‘onafhankelijke bestuurder’) door de aldus benoemde bestuursleden tezamen. Volgens artikel 6 lid 1 van de statuten betreft de door het bestuur van [gedaagde sub 1] benoemde bestuurder een bestuurder van [gedaagde sub 1] . Artikel 9 sub a van de statuten bepaalt dat het bestuurslidmaatschap van [gedaagde sub 2] eindigt door bedanken. Besluiten van het bestuur worden genomen met meerderheid van stemmen en ieder bestuurslid brengt één stem uit (artikel 11 lid 3). Wat de door [gedaagde sub 1] benoemde bestuurder betreft, bepaalt artikel 9 sub e van de statuten dat zijn functie als bestuurder eindigt wanneer zijn functie als bestuurder van [gedaagde sub 1] is geëindigd. Artikel 9 sub g van de statuten bepaalt dat het bestuurslidmaatschap van de ‘onafhankelijke bestuurder’ eindigt zodra deze bestuurder niet meer voldoet aan een of meer van de vereisten als genoemd in artikel 8 lid 1 van de statuten. Artikel 8 lid 1 sub b bepaalt dat deze bestuurder onder andere niet mag zijn een bestuurder, commissaris, werknemer of aandeelhouder van of op een andere wijze betrokken bij [gedaagde sub 1] of een met haar verbonden of gelieerde onderneming. Volgens artikel 8 lid 3 van de statuten heeft deze bestuurder het recht om te stemmen bij de benoeming van zijn opvolger in het geval van bedanken.

2.5.

[gedaagde sub 2] heeft van voornoemde aandelen in [gedaagde sub 1] certificaten op naam uitgegeven aan [U] International N.V., een vennootschap naar het recht van Curaçao (hierna: [U] ). Volgens de statuten van [U] bestaat het bestuur uit één of meer bestuurders (artikel 8 lid 1). Bestuurders worden benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering (artikel 8 lid 2). Besluiten van de algemene vergadering worden met meerderheid van stemmen genomen (artikel 10 lid 5).

2.6.

De aandelen in [U] worden sinds het uitkopen van de kinderen uit het tweede huwelijk van [B] senior in februari 2009 en de hierna te noemen ‘settlement agreement’ van 3 mei 2013 gehouden door [C] , de rechtspersoon naar het recht van het Vorstendom Liechtenstein [S] (hierna: [S] ) en [eiser sub 2] , ieder voor 1/3 deel, waarbij de heer [T] (hierna: [T] ) ten aanzien van [S] en [eiser sub 2] op grond van een ‘declaration of trust’ de ‘founders rights’ voor [D] en [eiser sub 1] houdt en zijn bevoegdheden conform de instructies van respectievelijk [D] en [eiser sub 1] uitoefent. Volgens de ‘Beistatuten’ van [eiser sub 2] en [S] zijn respectievelijk [eiser sub 1] en [D] de begunstigden ten aanzien van het kapitaal en de verdiensten van deze rechtspersonen (‘der einzige Begünstigte am Kapital und Ertrag der Anstalt’). Bestuurder van [U] was [V] en is sinds 3 mei 2013 [U] Management (Curaçao) N.V. (hierna: [U] ).

2.7.

Al voor het overlijden van [B] senior was [eiser sub 1] als commissaris van verschillende werkmaatschappijen van de [A] betrokken bij de [A] . Op 25 november 1997 is hij samen met [C] en [D] benoemd tot commissaris van [gedaagde sub 1] . Vanaf dat moment bestond de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] uit de voornoemde familieleden. In 1997 is [eiser sub 1] daarnaast toegetreden tot het bestuur van [gedaagde sub 2] .

2.8.

[eiser sub 1] , [C] en [D] zijn per 20 mei 1999, indirect (via M. [B] Beheer B.V.) bestuurder geworden van [gedaagde sub 1] . Per dezelfde datum is [C] namens de certificaathouders lid van het bestuur van [gedaagde sub 2] geworden. Het bestuur van [gedaagde sub 2] bestond vanaf dat moment uit [C] , [eiser sub 1] (namens het bestuur van [gedaagde sub 1] ) en de heer G. [W] (als onafhankelijke bestuurder).

2.9.

Na het overlijden van [B] senior is het bestuur van [gedaagde sub 1] in de praktijk gevoerd door [eiser sub 1] .

2.10.

In 2005 is [T] in plaats van [W] bestuurder van [gedaagde sub 2] geworden.

2.11.

Nadat [eiser sub 1] gezondheidsproblemen had gekregen, heeft de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] op verzoek van [eiser sub 1] de heer [X] (hierna: [X] ) per 1 oktober 2009 benoemd tot enig bestuurder van [gedaagde sub 1] in plaats van M. [B] Beheer B.V. Voor zijn benoeming tot bestuurder van [gedaagde sub 1] was [X] sinds 2003 als advocaat werkzaam voor [gedaagde sub 1] en haar werkmaatschappijen.

2.12.

In 2010 heeft de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] [T] aangesteld als adviseur.

2.13.

Na zijn aantreden als bestuurder heeft [X] , tegen de zin van [eiser sub 1] , namens [gedaagde sub 1] en haar (klein-)dochtervennootschappen vrijwillig een fiscaal inkeertraject gestart, naar aanleiding waarvan de Belastingdienst onderzoek heeft verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, loonheffing en dividendbelasting over de boekjaren 2005 tot en met 2010. In de door de Belastingdienst naar aanleiding van dat onderzoek gemaakte rapportages is geconcludeerd – kort gezegd – dat verschillende onttrekkingen ten laste van [gedaagde sub 1] en ten gunste van [eiser sub 1] niet (voldoende) waren onderbouwd. De Belastingdienst heeft verschillende naheffingsaanslagen en boetes opgelegd.

2.14.

Op 21 juni 2011 is de heer [Y] (hierna: [Y] ) als vierde lid van de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] benoemd.

2.15.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft [X] zichzelf aangesteld als de door [gedaagde sub 1] benoemde bestuurder van [gedaagde sub 2] , in plaats van [eiser sub 1] .

2.16.

Op 3 mei 2013 hebben [eiser sub 1] , [C] , [D] , [S] en [eiser sub 2] (de ‘Settling Parties’), bijgestaan door verschillende advocaten, een vaststellingsovereenkomst (‘Settlement Agreement’, hierna: de SA) gesloten naar aanleiding van tussen hen ontstane geschillen na het overlijden van [B] senior over – kort gezegd – de verdeling van de nalatenschap van [B] senior (waaronder diens villa in België), de eigendom van de aandelen in [U] na het uitkopen van de andere kinderen van [B] senior, een aan [eiser sub 1] te betalen beloning voor het besturen van de [A] door [eiser sub 1] sinds het overlijden van [B] senior en een herstructurering van de [A] . De SA is mede ondertekend door [T] namens [Z] , een vennootschap volgens het recht van de Britse Maagdeneilanden (hierna: [Z] ), en [eiser sub 1] namens [AA] , een Deense vennootschap, als ‘Intervening Parties’. Wat de ‘corporate governance’ van de [A] betreft, is in de SA onder meer het volgende opgenomen:“(...)

III SUBJECT, TERMS AND CONDITIONS OF THE AGREEMENT – ARRANGEMENTS FOR THE FUTURE

(...)These agreements for the future are based on an explicit twofold philosophy where on the one hand the Parties wish to manage and promote a number of matters jointly as a family and on the other hand also wish to very explicitly acquire individual autonomy and financial independence. In carrying out this philosophy the Parties will act as one family block with joint control and decision-making authority for the joint matters.From this philosophy the Settling Parties wish to expand three separate branches within the Group.(1) [I] will represent the industrial branch;(2) [ZA] will represent the investment branch; and(3) [gedaagde sub 1] will represent the central and controlling branch in which the industrial and investment branch are separately and individually structured and in which the funds of the Group are centralized and guaranteed and which can be used to fund individual autonomy and own independent investments.

Article 10: Dividend policy – moving registered office [U] – shareholders’ agreement [U]

(...)

Article 11: Director’s mandates [gedaagde sub 2] The Parties agree that the [gedaagde sub 2] will be eliminated as soon as possible after the steps described in article 4 of the Settlement Agreement have been completed. As a consequence [U] will become the direct sole shareholder in [gedaagde sub 1] . The Parties accept, confirm and are in favour that until the elimination of [gedaagde sub 2] each Party is entitled to nominate one director in [gedaagde sub 2] for appointment, and may exercise this right at any time.The Parties undertake to appoint the candidates presented by the other Parties (...)Furthermore, the Parties accept and confirm that until the elimination of [gedaagde sub 2] a fourth independent director will be appointed in the [gedaagde sub 2] . Initially Mr [T] is nominated. If there is a stalemate in the board of the [gedaagde sub 2] , the Parties agree now that the dispute will be handled by a binding third-party decision from Professor (...)

Article 12: Supervisory board member appointment [gedaagde sub 1] (...) The supervisory board will consist of four members. Without prejudice to the rules laid down in Book 2 of the DCC with respect to the appointment of supervisory board members in a structure company, each Party has the right to make a binding nomination to the supervisory board to appoint one member. The three members of the supervisory board thus appointed will jointly appoint a fourth member, who has to be (i) not a member of the [B] family and (ii) independent within the meaning of the Dutch Corporate Governance Code.The Parties are in favour that [gedaagde sub 1] will accept that the candidates nominated by the other Parties will be appointed (...)Article 13: Internal restructuring of the GroupAll assets and liabilities of [gedaagde sub 1] , excluding the shares of [I] and the available cash, will be split off (...) into [ZA] , so that the industrial branch can be separated and divided from the investment branch of the Group in accordance with the aformentioned family philosophy. Mr [X] (...) (hereinafter referred to as: ‘ [X] ’) will be asked to agree to the assignment of the current management agreement (...) to [ZA] . In case [X] does not agree to the assignment of the current management agreement (...), this contract will be terminated. A first class Dutch trust company will be appointed to take up the mandate of [X] as sole managing director in [gedaagde sub 1](...)The following corporate governance will be implemented at the various levels.(...)Level of [gedaagde sub 1]• The supervisory board will remain as it is ( [C] , [D] , [eiser sub 1] and Mr Hein [Y] )(...)

• An investment policy will be proposed by [Y] for [gedaagde sub 1] and [ZA] and will need to be approved unanimously by [C] , [D] and [eiser sub 1] (...)• [X] will be replaced by the aformentioned trust company as managing director of [gedaagde sub 1](...)”

2.17.

Na de ondertekening van de SA is een geschil en discussie ontstaan tussen [eiser sub 1] en zijn zussen over onder meer de implementatie van de in de SA overeengekomen wijzigingen in de [A] , nadat [X] zich namens [gedaagde sub 1] op het standpunt had gesteld dat het niet in het belang zou zijn van [gedaagde sub 1] om de in de SA overeengekomen wijzigingen onverkort te implementeren. In verband hiermee zijn over en weer wijzigingsvoorstellen gedaan die niet zijn geaccepteerd en heeft in een later stadium mediation plaatsgehad.

2.18.

Op 30 oktober 2013 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] plaatsgevonden, waarbij [eiser sub 1] en [T] niet aanwezig waren en [C] een volmacht had om [T] te vertegenwoordigen. In de notulen van deze vergadering, waarbij ook [D] , [X] en [Y] (in de notulen aangeduid als [D] , [X] en [Y] ) aanwezig waren, is onder meer het volgende vermeld:“Miscellaneous items[X] points out, as is also explained in the letter of Mr. Haas dated 28 October 2013, that the SB membership of [C] , [D] and [ZB] has in any case (possibly even earlier; when asked neither [C] nor [D] recall any re-appointment prior to October 2009) ended with this GA Meeting, due to the absence of re-appointments as required by law and [gedaagde sub 1] by-laws in the 4 years preceding this GA (...) [D] asks what the solution for this problem will be, now that [C] and herself in any case want to continue to function as a SB member after this GA. [Y] responds that there is a procedure to follow and that, with the assistance of [X] , he will make sure this is done in accordance with the law and the [gedaagde sub 1] by-laws. (..) It is resolved that [Y] will indeed take it upon him to arrange re-appointment of [C] and [D] in accordance with the applicable rules. (...)”

2.19.

Door middel van een op 1 november 2013 gedateerd formulier heeft [X] de Kamer van Koophandel meegedeeld dat [C] , [D] en [eiser sub 1] per 16 mei 2012 als commissaris van [gedaagde sub 1] uit functie zijn getreden.

2.20.

Bij e-mail van 12 november 2013 heeft [X] [T] onder meer het volgende geschreven:“(...) Reference is made to our constructive and pleasant phonecall just now. I confirm that we agreed that you will resign and step down as a [gedaagde sub 2] board member. This in order to bring [gedaagde sub 2] in line with its true purpose and as stipulated explicitly in its by-laws, by making sure there is a fully independent board member that (unlike you being a formal representative of two of the ultimate beneficiaries of the certificates as well as a formal advisor to the [gedaagde sub 1] board) has no (be it formal or informal) ties to the company or the certificates and their UBO’s. This resignation is effective immediately (as of now).(...)”

2.21.

Bij e-mail van 14 november 2013 heeft [T] [X] onder meer het volgende meegedeeld:“(...)For the sake of completeness, I note that you called me and told me that, due to my involvement on the shareholders’ side, I formally would not qualify as independent member of the board of the [gedaagde sub 2] and that another, really independent, person should be appointed to the [gedaagde sub 2] board. You informed me that [C] shares your opinion on this and that [C] and you had jointly decided to ask me to resign as member of the [gedaagde sub 2] board.(...)

it became clear to me that I have in fact no option than to resign as [gedaagde sub 2] member, also knowing that [C] and you represent a majority in the [gedaagde sub 2] board.I decided to resign from the [gedaagde sub 2] board, only because both [C] and you are of the opinion that I have to step down.(...)”

2.22.

Bij e-mail van 15 november 2013 heeft [T] [X] voorts nog het volgende geschreven:“(...)Then I look at the Statutes of [gedaagde sub 2] in my hand (...) If they are not changed, I want to make use of my right to vote at the appointment of my successor. (...) Please inform me of any developments in the search for a new candidate in due time.

(...)”

2.23.

Hierop heeft [X] [T] op 15 november 2013 als volgt bericht:“(...)I repeat that (...) there is the simple fact that you never qualified as the independent board member in [gedaagde sub 2] (...) and you obviously can also not rely on any right extended to [gedaagde sub 2] members. (...) You and I agreed (...) that on the basis of the facts as they are you would resign voluntarily and that is the end of it, certainly to me. The outcome would however been the same if we would not have been able to agree on your resignation, as – I repeat – you simply do not (and never did) meet the required qualifications.(...)”

2.24.

Bij e-mail van dezelfde datum heeft [T] hierop aan [X] geschreven:

“Thank you. I leave it to that”.

2.25.

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft het bestuur van [gedaagde sub 2] ( [X] en [C] ) de heer [ZC] (hierna: [ZC] ) per 1 januari 2014 benoemd tot onafhankelijk bestuurder van [gedaagde sub 2] . Op 10 februari 2014 is hij als zodanig ingeschreven in het handelsregister.

2.26.

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] een door [Y] opgemaakte profielschets over de samenstelling van de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] aangenomen c.q. bekrachtigd, zijn [C] en [D] per 1 november 2013 (her)benoemd tot commissaris van de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] en is de heer T.C. [ZD] (hierna: [ZD] ) per 1 januari 2014 benoemd tot commissaris van de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] . Op 3 april 2014 zijn deze benoemingen in het handelsregister geregistreerd.

2.27.

Op 29 april 2015 zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een CEPANI-arbitrageprocedure jegens [C] , [S] en [D] gestart in verband met geschillen over de uitvoering van de SA. [C] , [S] en [D] hebben in die procedure in reconventie vernietiging van de SA gevorderd.

2.28.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft het bestuur van [gedaagde sub 2] de benoeming van [ZC] als onafhankelijke bestuurder van [gedaagde sub 2] per 1 januari 2014 bekrachtigd, althans heeft het bestuur hem per 18 maart 2016 in voornoemde hoedanigheid benoemd.

2.29.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft het bestuur van [gedaagde sub 1] de benoeming van [X] als bestuurder van [gedaagde sub 2] namens het bestuur van [gedaagde sub 1] per 21 oktober 2011 bekrachtigd, althans heeft het bestuur hem per 18 maart 2016 in die hoedanigheid benoemd.

2.30.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] de benoeming van [X] als bestuurder van [gedaagde sub 1] per 1 oktober 2009 bekrachtigd, althans hem per 18 maart 2016 in die hoedanigheid benoemd. Daarnaast heeft de raad van commissarissen haar eigen handelen tot en met 18 maart 2016 bekrachtigd.

2.31.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft [C] als bestuurder van [gedaagde sub 2] de benoemingen van zichzelf, [D] , [Y] en [ZD] als commissarissen van de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] bekrachtigd, althans heeft [gedaagde sub 2] hen per 18 maart 2016 in die hoedanigheid benoemd.

2.32.

Bij arbitraal vonnis van 26 oktober 2017 heeft het arbitraal gerecht in de CEPANI-procedure geoordeeld dat [eiser sub 1] zijn zussen opzettelijk heeft misleid ten aanzien van – kort gezegd – de omvang van de nalatenschap van zijn vader met het doel zichzelf ten opzichte van zijn zussen te bevoordelen. In verband hiermee is de SA gedeeltelijk vernietigd. Voor zover de SA betrekking heeft op de bepalingen over de ‘corporate governance’ is de SA in stand gelaten en heeft het arbitraal gerecht geoordeeld dat [C] en [D] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen door aan die bepalingen geen gevolg te geven. Het gerecht heeft de zussen veroordeeld tot vergoeding van schade ten bedrage van € 6.000.000,00 waarbij het onder meer acht heeft geslagen op het feit dat [eiser sub 1] bij behoorlijke nakoming waarschijnlijk een bedrag van € 3,8 miljoen als tegemoetkoming en andere voordelen zou hebben ontvangen. Daarnaast heeft het acht geslagen op het verliezen van invloed van [eiser sub 1] in de raad van commissarissen van [gedaagde sub 1] . Het heeft beslist dat deze schadevergoeding niet verschuldigd is indien de zussen alsnog hun verplichtingen nakomen om – kort gezegd – [gedaagde sub 2] te elimineren, de raad van commissarissen overeenkomstig de SA samen te stellen en [X] als bestuurder van [gedaagde sub 1] te vervangen door een trust company. Het gerecht overwoog onder meer het volgende:“(...)

the Tribunal is of the opinion that [C] [B] and [D] [B] did not comply with their obligations under articles 11 through 13(...)It is true (...) that [C] [B] , [D] [B] and [eiser sub 1] [B] were appointed as supervisory board members on 25 November 1997 (...) and that [gedaagde sub 1] was at that time a so called structure company with full regime (meaning inter alia that the supervisory board appoints and dismisses the managing directors instead of the shareholders’ meeting). It is also true (...) that the period of appointment according to the law and the articles of association of [gedaagde sub 1] was four years from the date of appointment, to be extended to the first general meeting of shareholders to be held following expiration of the four years. The first general meeting of shareholders’ of [gedaagde sub 1] after the expiration of the four year term was on 22 January 2002 (...)The above analysis would mean that there were not longer any supervisory directors as from 22 January 2002. Consequently, all decisions taken by the supervisory board with respect to annual accounts of [gedaagde sub 1] and the appointment of both Mr. [X] and of Mr. [Y] would have been non-existent. However, this consequence runs counter to reality as [gedaagde sub 1] always has regarded [C] [B] , [D] [B] and [eiser sub 1] [B] as supervisory directors until at least 30 October 2013 when a declaration was made that they had terminated their position as of that date (...) Actually, it was decided in item 5 of the 30 October 2013 supervisory board meeting to grant discharge to the supervisory board members for the entire years 2011 and 2012. Moreover, Mr. [X] had expressly proposed to nominate [eiser sub 1] [B] as president of the supervisory board on 23 June 2010 (...). Finally (...) [C] [B] , [D] [B] and [eiser sub 1] [B] considered all of them to be supervisory board members in the 2013 SA.9.27 The Tribunal is of the opinion that [C] [B] and [D] [B] should have opposed the position taken by Mr. [X] at the 30 October 2013 meeting that they had resigned, together with [eiser sub 1] [B] , as supervisory directors of [gedaagde sub 1] . They could have argued their position on the basis of the facts listed above in the preceding paragraph and also have argued that [gedaagde sub 1] nor any of its (managing) directors could invoke such alleged resignation because that would be unacceptable from the perspective of reasonableness and fairness as provided for in article 2:8(2) of the Dutch Civil Code. In addition, they should have advised Mr. [X] that if he were to maintain his position, the consequence would have been that he was never appointed as a managing director of [gedaagde sub 1] nor that Mr. [Y] was appointed as a supervisory director for [gedaagde sub 1] and that, consequently, [C] [B] and Mr. [T] as representatives of [gedaagde sub 2] (...) would have been the persons to appoint the new supervisory board in accordance with the 2013 SA. At the very least, [C] [B] and [D] [B] , together with their attorneys, should have entered into a dialogue with [eiser sub 1] [B] and his attorney in order to challenge the position taken by Mr. [X] with respect to the termination of their directorship. (...)”

2.33.

[C] en [D] zijn hun verbintenissen die voortvloeien uit de corporate governance-bepalingen in de SA naar aanleiding van het arbitraal vonnis niet alsnog nagekomen.

2.34.

[gedaagde sub 1] heeft ten laste van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] conservatoir beslag gelegd.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing