FBN 2013/31 - Goedkeuring voor Wet IB 2001 bij vergoedingsrechten tussen echtgenoten
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-05-2013 Sinds 1 januari 2012 is in de artikelen 1:87 BW, 1:95 BW en 1:96 BW de beleggingsleer opgenomen indien de ene echtgenoot gelden ter beschikking stelt aan de andere echtgenoot. Hierdoor wordt de hoogte van het vergoedingsrecht beïnvloed door de waardeontwikkeling van het goed waaraan de gelden zijn besteed, tenzij er afwijkende afspraken zijn gemaakt. In de literatuur blijkt verschillend te worden gedacht over het antwoord op de vraag wat de fiscale gevolgen zijn van de beleggingsleer. Inmiddels is voor de overdrachtsbelasting een goedkeuring opgenomen in het besluit van 14 december 2011, nr. BLKB/2011/1803M (Stcrt. 2011, nr. 23104). Thans heeft de Staatssecretaris van Financiën voor de inkomstenbelasting goedgekeurd dat geen overgang of verkrijging van een fiscaal relevant belang bij het (onderliggende) goed zelf wordt aangenomen bij een vergoedingsrecht als bedoeld in de artikelen 1:87, 1:95 en 1:96 BW, mits beide echtgenoten hiervan uitgaan. Het voorgaande ziet dus onder meer op de winst uit onderneming, de terbeschikkingstellingsregeling, de eigenwoningregeling en de aanmerkelijkbelangregeling. Voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoort voor degene die een vergoedingsrecht heeft, de vordering en dus niet (een deel van) het goed zelf tot de rendementsgrondslag. Overigens wordt opgemerkt dat de goedkeuring niet van toepassing is als echtgenoten afwijkende afspraken hebben gemaakt.