FBN 2016/20 - Volgens hof gold WBR-tarief van 2% voor woning die als kantoor werd gebruikt
Aflevering 4, gepubliceerd op 30-04-2016 Ten overstaan van een notaris is een oud herenhuis overgedragen waarin voorheen een advocatenkantoor was gevestigd. Naar aanleiding hiervan is een geschil ontstaan over de vraag of op de overdracht het overdrachtsbelastingtarief van 2% ex artikel 14 lid 2 WBR van toepassing is. In tegenstelling tot de rechtbank heeft het hof deze vraag bevestigend beantwoord. Volgens het hof was de onroerende zaak in 1895 gebouwd als woning. De onroerende zaak heeft zowel een woon- als een kantoorbestemming. De onroerende zaak is op enig moment als kantoor in gebruik genomen waarbij de woning is aangepast aan dat gebruik door de oorspronkelijke keuken te verwijderen, een pantry te installeren, de badinrichting te verwijderen (onder handhaving van de leidingen), tl-verlichting aan de plafonds aan te brengen en aansluitingszuilen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening aan te leggen. Hierdoor ziet het hof zich voor de vraag geplaatst of het pand op het moment van de verkrijging kan worden gekwalificeerd als een onroerende zaak die naar haar aard is bestemd voor bewoning door particulieren. Het hof stelt voorop dat de aard van de onroerende zaak ten tijde van de totstandkoming daarvan in 1895 ‘woning’ was en het dus de vraag is of de hiervoor bedoelde aanpassingen ertoe hebben geleid dat de onroerende zaak haar aard als woning heeft verloren. Naar het oordeel van het hof moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Weliswaar zijn om de onroerende zaak als een kantoor in gebruik te kunnen nemen een aantal bouwkundige aanpassingen gedaan, maar naar het oordeel van het hof zijn deze niet zodanig dat daaraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat de onroerende zaak haar aard als woning heeft verloren. De indeling van de onroerende zaak is ongewijzigd gebleven, er was ten tijde van de verkrijging sprake van een – zij het bescheiden – kookgelegenheid terwijl het bad en de douche konden worden aangesloten op de bestaande leidingen. De onroerende zaak kon dus met zeer beperkte aanpassingen weer worden bewoond. De aard van de onroerende zaak is derhalve woning gebleven. Het tussentijdse gebruik als kantoor doet daaraan niet af.