FTV 2009/21 - Het bedrijf boven alles
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-05-2009 geschreven door Mr. S.F.J.J. SchenkDe Hoge Raad heeft op 20 maart 2009 twee nagenoeg identieke arresten gewezen, die door een enkeling al tot ‘doorbraakarresten' zijn bestempeld. Het gaat hierbij om de situatie waarbij een (agrarische) onderneming door de ouders aan de bedrijfsopvolger wordt overgedragen voor een waarde waarbij een lonende exploitatie nog juist mogelijk is, waarbij deze waarde duidelijk beneden de waarde in het economisch verkeer ligt. De Hoge Raad heeft in deze arresten in de eerste plaats beslist dat voor de vraag of sprake is van een schenking niet het fiscale recht (en meer in het bijzonder art. 21, lid 4 Successiewet 1956), maar de titel over schenking (titel 7 Boek 3) in het Burgerlijk Wetboek maatgevend is. In de tweede plaats besliste de Hoge Raad in het verlengde van zijn arrest van 13 februari 2004 dat het in het kader van een bedrijfsopvolging lager waarderen van een onderneming dan de waarde in het economisch verkeer - voor zover deze lagere waardering noodzakelijk is om een voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren - aangemerkt kan worden als het nakomen van een verplichting, zodat de bedoeling tot bevoordeling (die is vereist voor het aannemen van een schenking) niet aanwezig is. Dat deze twee arresten voor de agrarische (opvolgings)praktijk van het grootste belang zijn, moge duidelijk zijn. Maar naast de zo gewenste en gegeven duidelijkheid roepen de arresten ook weer de nodige vragen op.