NTFR 2019/2015 - Heffing over liquidatie-uitkering bv aan inwoner Belgiƫ is niet discriminatoir en niet in strijd met vrije kapitaalverkeer
ECLI:NL:HR:2019:1019, datum uitspraak 21-06-2019, publicatiedatum 21-06-2019
Aflevering 32-33, gepubliceerd op 15-08-2019 met annotatie van mr. F. van HorzenBelanghebbende, die sinds 1992 in Belgiƫ woont, hield tot in 2006 een 25,5%-belang in een in Nederland gevestigde bv. De bv is in 2006 ontbonden. Zij heeft in dat jaar liquidatie-uitkeringen gedaan aan belanghebbende. De inspecteur heeft de liquidatie-uitkeringen bij belanghebbende op grond van het Verdrag Nederland-Belgiƫ belast tegen 15%. Hof Den Bosch (19 april 2018, nr. 16/03902, NTFR 2018/2012) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Volgens het hof handelt de inspecteur niet in strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer ex art. 63 VWEU. De Hoge Raad is het daarmee eens. De stelling van belanghebbende dat Belgiƫ niet een vrijstelling maar een beperkte verrekening ter voorkoming van dubbele belasting verleent, faalt ook volgens de Hoge Raad. Voor de motivering van beide onderdelen verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van A-G Niessen in deze zaak (NTFR 2019/764). Belanghebbende stelt verder dat een verboden discriminatie plaatsvindt van een inwoner van Belgiƫ die ab-houder is van een in Nederland gevestigde vennootschap (Belgische aanmerkelijkbelanghouder) en die een liquidatie-uitkering van die vennootschap ontvangt, ten opzichte van een Belgische ab-houder die zijn aandelen vervreemdt. Volgens de Hoge Raad verschillen deze gevallen echter. Bij een vervreemding gaan de verkochte aandelen namelijk over van het vermogen van de vervreemder naar het vermogen van een ander, terwijl bij een liquidatie de vennootschap wordt ontbonden en door een liquidatie-uitkering haar reserves aan de aandeelhouders worden uitgekeerd. Dat verschil heeft tot gevolg dat na vervreemding de Nederlandse belastingclaim op de in de aandelen besloten liggende reserves behouden blijft. Deze claim kan worden geƫffectueerd doordat dividenduitkeringen door de vennootschap blijven vallen onder art. 10 van het Verdrag. Bij liquidatie van de vennootschap daarentegen vervalt de Nederlandse belastingclaim op de in de aandelen besloten liggende reserves en wordt die claim geldend gemaakt door heffing over de desbetreffende liquidatie-uitkering waarin die reserves zijn begrepen. In een situatie als deze, waarin de aandeelhouder de laatste tien jaren niet inwoner van Nederland is geweest, komt het dus bij een liquidatie-uitkering tot heffing. Dat zou in die situatie niet het geval zijn indien de aandelen in de vennootschap zouden worden verkocht. Een dergelijke vervreemding valt buiten het bereik van art. 13, par. 5, van het Verdrag (en dus binnen het bereik van art. 13, par. 4, van het Verdrag).