NTFR 2021/1408 - Geen misbruik van recht bij terbeschikkingstelling sportvelden en clubgebouw (art. 81.1 Wet RO)
ECLI:NL:HR:2021:663, datum uitspraak 23-04-2021, publicatiedatum 23-04-2021
Aflevering 17, gepubliceerd op 30-04-2021 De gemeente Utrechtse Heuvelrug is eigenaar van buitensportcomplex A. Op 13 december 2011 heeft belanghebbende, een stichting die tot doel heeft het voorzien in de gelegenheid tot sportbeoefening, met de gemeente een huurovereenkomst gesloten voor de huur van sportvelden voor een jaarlijkse huur van € 10.000 exclusief btw. Voor het gebruik van de sportvelden en het clubgebouw inclusief sport-/spelmateriaal heeft belanghebbende op dezelfde dag met hockeyvereniging C een overeenkomst gesloten voor een gebruiksvergoeding van € 21.200 inclusief btw per jaar. Een dag later heeft de gemeente ten behoeve van belanghebbende een recht van opstal gevestigd op de bebouwde delen van het bij de vereniging in gebruik zijnde deel van het sportcomplex. De vergoeding hiervoor bedraagt € 1 per jaar. Daarbij heeft belanghebbende een bedrag van € 136.307 (bruidsschat) ontvangen van de gemeente vanwege achterstallig onderhoud aan de kleed- en douchegelegenheden en voor de onderhoudslasten tijdens de resterende economische levensduur van het clubgebouw. In dit bedrag is ook een component kapitaallasten in verband met toekomstige nieuwbouw van de kleed- en doucheruimten begrepen. De vereniging heeft in de onderhavige jaren jaarlijks een subsidie van de gemeente ontvangen, die nagenoeg gelijk is aan het bedrag dat belanghebbende jaarlijks aan huur (inclusief btw) betaalt aan de gemeente voor de velden. In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. De inspecteur meent van niet en stelt zich op het standpunt dat sprake is van misbruik omdat belanghebbende gebruik maakt van een zuiver kunstmatige constructie, die niet beantwoordt aan de economische realiteit van de handelingen. Het hof (Hof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, nrs. 18/00358 t/m 18/00366, NTFR 2019/1885) heeft voorop gesteld dat uitgangspunt is dat een ieder de voordeligste structuur en invulling mag kiezen. Deze bevoegdheid is evenwel niet onbegrensd. Bij het kiezen van de voordeligste structuur mogen de grenzen die worden getrokken door het verbod van misbruik niet worden overschreden. Van misbruik is geen sprake wanneer er voor de betrokken economische activiteit een andere verklaring bestaat dan de loutere verkrijging van belastingvoordelen. Het hof heeft overwogen dat belanghebbende de vereniging de gelegenheid geeft tot sportbeoefening en daarvoor ook een kostendekkende vergoeding vraagt. De door belanghebbende met de gemeente en de vereniging gesloten overeenkomsten worden door partijen nageleefd. De juridische vormgeving komt overeen met de feitelijke verschijningsvorm en economische realiteit. Belanghebbende heeft volgens het hof voldoende juridische en feitelijke zelfstandigheid, zodat geen sprake is van een samenstel van handelingen dat iedere (economische) realiteit ontbeert. Met de gekozen structuur wordt een financieringsvoordeel behaald. Belanghebbende kan immers eerst de voorbelasting aftrekken alvorens zij over de vergoeding voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening btw moet voldoen. Het financieringsvoordeel betreft een belastingvoordeel (HvJ 22 december 2010, zaak C-103/09 (Weald leasing), NTFR 2011/81). Het hof is van oordeel dat het systeem van de btw met zich brengt dat het verkrijgen van dit financieringsvoordeel op zichzelf niet in strijd is met (het doel van de bepalingen van) de Btw-richtlijn. Het tariefverschil leidt voor belanghebbende eveneens tot een belastingvoordeel. Belanghebbende kan de tegen het algemene tarief in rekening gebrachte btw als voorbelasting aftrekken en voldoet btw tegen het verlaagde tarief. Het hof is van oordeel dat dit belastingvoordeel inherent is aan het systeem van de btw en dat het enkele feit dat een tariefverschil optreedt tussen de voorbelasting en de verschuldigde belasting niet in strijd is met (het doel van) de bepalingen van de Btw-richtlijn. Het hof heeft de inspecteur niet gevolgd in zijn stelling dat de prestatie van het geven van gelegenheid tot sportbeoefening kunstmatig in de belaste sfeer is getrokken door de oprichting van belanghebbende. Voor de oprichting van belanghebbende bestaan immers nog meer verklaringen dan louter het verkrijgen van een belastingvoordeel. Door het oprichten van belanghebbende worden de opstal en de bruidsschat afgesplitst van de vereniging en wordt belanghebbende verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de opstal alsmede voor het beheer van de van de gemeente ontvangen bruidsschat. Door deze afsplitsing bereikt belanghebbende dat de opstal en de bruidsschat los staan van de vereniging en niet worden geraakt door eventuele financiële of bestuurlijke problemen bij de vereniging. Belanghebbende behaalt met de gekozen structuur een belastingvoordeel, maar de inspecteur heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat dit voordeel in strijd is met het doel van de bepalingen van de Btw-richtlijn en dat er sprake is van misbruik.