NTFR 2021/1479 - Hongaarse op omzet gebaseerde advertentiebelasting vormt geen verboden staatssteun
ECLI:EU:C:2021:202, datum uitspraak 16-03-2021, publicatiedatum 06-05-2021
Aflevering 18, gepubliceerd op 06-05-2021 met annotatie van A.F. GunnOp 11 juni 2014 heeft Hongarije de Wet op de advertentiebelasting vastgesteld. De maatregel is van toepassing op marktdeelnemers die advertenties verspreiden, zoals organen van de gedrukte media, audiovisuele media of aanplakkers, met uitzondering van adverteerders. De belastinggrondslag is de netto-omzet die in een boekjaar is behaald met de verspreiding van advertenties. De belasting wordt, na wijziging op 4 juni 2015, geheven volgens twee belastingtarieven, namelijk 0% voor het deel van het belastbare bedrag van minder dan 100 miljoen forint (HUF), ongeveer € 280.000, en 5,3% voor het deel van het belastbare bedrag daarboven. Voor het eerste belastingjaar voorzag de wet bij wijze van overgangsmaatregel in de gedeeltelijke aftrekbaarheid van overgedragen verliezen van het voorgaande jaar. De Europese Commissie (EC) heeft aangegeven dat de belasting onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt omdat zij kleinere ondernemingen, die te laag worden belast, een ontoelaatbaar voordeel verleent en daarom staatssteun vormt. Hongarije heeft het besluit van de EC aangevochten bij het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het beroep toegewezen en het besluit van de EC nietig verklaard, aangezien er geen bewijs was van enig selectief voordeel en dus van staatssteun ten gunste van ondernemingen met een lagere omzet. De EC heeft tegen het arrest beroep ingesteld bij het HvJ. Het HvJ bevestigt het oordeel van het Gerecht. De EC heeft zich ten onrechte op een onvolledig en fictief referentiestelsel gebaseerd doordat zij ervan is uitgegaan dat de progressieve tarieven van de belastingmaatregel in kwestie geen deel uitmaakten van het referentiestelsel uit het oogpunt waarvan moest worden beoordeeld of die maatregel selectief was. Over de regeling inzake de gedeeltelijke aftrekbaarheid van overgedragen verliezen oordeelt het HvJ dat de EC zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hierbij een selectief voordeel werd toegekend.