NTFR 2025/1674 - Woning is bron van inkomen box 3; geen verdere vermindering aanslag (art. 81.1 Wet RO)
ECLI:NL:HR:2025:1584, datum uitspraak 17-10-2025, publicatiedatum 17-10-2025
Aflevering 43, gepubliceerd op 21-10-2025 Belanghebbende heeft samen met zijn partner in 2019 bank- en spaartegoeden van ⬠250.473, met een feitelijk rendement van ⬠599. Voorts hebben zij een tweede woning met een WOZ-waarde van ⬠270.000 (2020: ⬠304.000) die in 2019 verkocht werd voor ⬠308.000. De belastingaanslag werd oorspronkelijk gebaseerd op een forfaitair rendement, maar in 2022 is dit aangepast op basis van het rechtsherstel box 3, hetgeen leidde tot een lagere aanslag. In geschil is of het vastgestelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is. Belanghebbende betoogt dat de aanslag dient te worden verminderd aangezien zijn werkelijke rendement lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen die aan de aanslag ten grondslag ligt. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de woning niet in aanmerking dient te worden genomen aangezien deze voor hem geen bron van inkomen vormt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het Kerstarrest het rechtsherstel naar redelijkheid dient plaats te vinden, en dat heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement tot de mogelijkheden behoort. Bij het vaststellen van het daadwerkelijk rendement op onroerend goed geldt als uitgangspunt dat het rendement dat in aanmerking moet worden genomen zowel het directe als het indirecte rendement betreft, waaronder niet-gerealiseerde vermogensmutaties. In hoger beroep oordeelt het hof (hof Amsterdam 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2724, NTFR 2024/1861) dat de tweede woning van belanghebbende in box 3 moet worden opgenomen, zowel volgens het forfaitaire systeem als bij berekening van het werkelijke rendement. Het standpunt van belanghebbende, dat de woning geen bron van inkomen is, wordt verworpen. Het hof concludeert dat de woning in 2019 een fictief en werkelijk rendement heeft gegenereerd. Voorts onderzoekt het hof of het vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement. Het werkelijke rendement wordt berekend op basis van de WOZ-waarden en de verkoopprijs van de woning. Het hof stelt vast dat dit rendement hoger is dan het voordeel uit sparen en beleggen, waardoor er geen verdere vermindering van de aanslag nodig is. Het beroep op art. 1 EP EVRM en art. 17 Handvest van de Grondrechten van de EU wordt afgewezen, omdat het hof oordeelt dat er geen inbreuk is op deze rechten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, aangezien er geen toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur over de te hanteren WOZ-waarde. Tot slot wordt het verzoek om rentevergoeding afgewezen, omdat er geen schending van het EVRM of het EP EVRM is vastgesteld en het werkelijk rendement hoger is dan het vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen.