NTFR 2025/1846 - Belgische opcentiemen voor niet-ingezeten belastingplichtigen niet in strijd met het vrije verkeer van werknemers
ECLI:EU:C:2025:674, datum uitspraak 04-09-2025
Aflevering 47, gepubliceerd op 18-11-2025 met annotatie van mr. F. van HorzenHet echtpaar DK en JO woont in Frankrijk. DK werkt hoofdzakelijk in Frankrijk en werkt parttime als hoogleraar in België. JO was in loondienst werkzaam geweest in Frankrijk en is inmiddels al geruime tijd inactief. Zij bezitten samen ook onroerend goed in België. Als niet-ingezeten belastingplichtigen werden zij in België belast over het arbeidsinkomen en de inkomsten uit onroerend goed. Boven op hun aanslag IB moesten zij de toeslag voor niet-ingezetenen betalen (opcentiemen). Deze toeslag is voor niet-ingezetenen de tegenhanger van de gemeentelijke heffing die ingezetenen over hun inkomen moeten betalen. Voor ingezetenen varieert die toeslag per agglomeratie of gemeente, terwijl die voor niet-ingezetenen uit een gemiddeld vast tarief (6%-7%) bestaat die ten bate van de Belgische staat komt. DK en JO vinden dat zij in België niet op dezelfde wijze profiteren van de gemeentelijke diensten. Zij sturen hun kinderen bijvoorbeeld niet naar een gemeentelijke school. Bovendien zijn zij in hun woonstaat al gemeentelijke heffingen verschuldigd. Tegen de aanslagen over diverse oude jaren hebben DK en JO bezwaarschriften ingediend die niet-ontvankelijk en ongegrond werden verklaard. In beroep zijn prejudiciële vragen aan het Belgische Grondwettelijk Hof gesteld. Dit oordeelde dat de toeslag juist tot doel heeft discriminatie te vermijden en niet-ingezetenen op evenredige wijze te laten bijdragen in de financiering van de taken van algemeen belang. In het vervolg van de procedure besluit het Hof van Beroep in Luik over de verhouding van de toeslag met het vrije verkeer van werknemers prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. A-G Emiliou overweegt dat er met betrekking tot het toe te passen belastingtarief geen objectieve verschillen bestaan tussen de situatie van ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen, en dat die beide groepen, moeten worden geacht zich in dat opzicht in een vergelijkbare situatie te bevinden. Het feit dat de toeslag voor niet-ingezetenen op federaal niveau en de gemeentelijke toeslag op gemeentelijk niveau wordt geheven en aangewend, doet niets af aan deze conclusie. Dat een belastingplichtige hoort bij te dragen aan de financiering van openbare diensten staat dan ook los van het gebruik dat hij zelf van een bepaalde openbare dienst maakt. De A-G is van mening dat de toeslag op de inkomstenbelasting voor niet-ingezetenen die een tegenhanger is van de aan ingezetenen opgelegde gemeentelijke toeslag, op zich geen differentiërende behandeling tussen beide groepen vormt, en derhalve niet onverenigbaar is met art. 45 VWEU. De Belgische wetgeving leidt evenwel tot een ongelijke behandeling voor zover deze toestaat dat een hoger belastingtarief wordt opgelegd over het belastbaar inkomen van niet-ingezetenen en dat niet-ingezetenen derhalve naar verhouding zwaarder worden belast dan – althans een deel van – de ingezetenen. Toepassing van een tarief dat ruwweg overeenkomt met het gemiddelde van de gemeentelijke toeslagtarieven kan echter fungeren als een redelijke en werkbare manier om stelselmatige onderbelasting van niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen te voorkomen. Toepassing van een vast gemiddeld tarief voor de toeslag voor niet-ingezetenen kan volgens de A-G evenredig worden geacht, mits de extra belastingdruk voor niet-ingezetenen strikt beperkt blijft en even doeltreffende maar minder beperkende alternatieven praktisch niet haalbaar zijn.