REP 2017/186 - Sign. - Ongeoorloofde vasthouding minderjarigen in Nederland (Rechtbank Den Haag 18 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:549)
Aflevering 3, gepubliceerd op 30-04-2017 M (van Canadese nationaliteit) en V (van Nederlandse nationaliteit) zijn in Canada met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk drie (nu nog minderjarige) kinderen zijn geboren, die allen zowel de Nederlandse als de Canadese nationaliteit hebben. Het gezin woont in Canada. M en V oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen uit. In 2010 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. V vertrekt naar Nederland, de kinderen blijven bij M in Canada. Als één van de kinderen (zoon Z) in 2012 een ernstig ongeval krijgt, keert V terug naar Canada. In 2015 stelt de Canadese rechtbank een zorgregeling vast. Op 3 oktober 2016 vertrekt V – zonder toestemming van M – met de kinderen naar Nederland. Op 18 oktober 2016 bepaalt het Canadese gerechtshof (1) dat de kinderen onrechtmatig door V zijn meegenomen, (2) dat de kinderen naar M dienen terug te keren en (3) dat M het eenhoofdig ouderlijk gezag verkrijgt. V geeft geen gehoor aan deze uitspraak. M verzoekt de rechtbank, op grond van het HKOV, de terugkeer van de kinderen te gelasten, in die zin dat V de kinderen terug moet brengen naar Canada of dat zij hen – met hun paspoorten – aan M zal afgeven. V beroept zich op artikel 13 lid 1 (sub b) en lid 2 HKOV. Haar financiële situatie in Canada is zeer slecht omdat M al haar financiële middelen heeft geblokkeerd. Ook is tegen haar een arrestatiebevel uitgevaardigd wegens het niet terugbrengen van de kinderen. De kinderen zullen dan volledig afhankelijk zijn van de zorg van M, die volgens V in het verleden al heeft getoond hier niet toe in staat te zijn. Het ongeluk van Z op de boerderij van M is naar mening van V vooral ontstaan door diens nalatigheid. Ook heeft M daarna de zorg voor Z volgens V overgelaten aan de andere twee kinderen, wat stress voor hen opleverde.