TA 2016/84 - Art. - Het grensoverschrijdend belang en de rechtspraak van het Hof van Justitie
Aflevering 5, gepubliceerd op 31-10-2016 geschreven door Garsse, prof. dr. S.A.D. van en Verhoeven, mr. S.In de huidige bijdrage wordt een uitspraak van een Nederlandse voorzieningenrechter becommentarieerd. Het betreft het vonnis in kort geding van 9 juni 2016 van de Rechtbank Rotterdam van 9 juni 2016 (zaaknummer/ rolnummer: C/10/498882/ KG ZA 16-382). Deze uitspraak wordt hierna verkort aangehaald als het ‘vonnis van 9 juni 2016’. De zaak handelt over de verlenging van een concessieovereenkomst inzake reclame op abri’s (wachthuisjes), bussen, trams, en metrostations. Een benadeelde geïnteresseerde onderneming klaagde het feit aan dat deze verlenging van de concessieovereenkomst had moeten worden aanbesteed, zodat zij een eerlijke kans had gehad om de overeenkomst in de wacht te slepen. De voorzieningenrechter wees daarbij de eis van de klager af, maar blijkt daarbij het primaire EU-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie kennelijk verkeerd toe te passen. In het bijzonder het begrip ‘intracommunautair’ of ‘grensoverschrijdend belang’ wordt, niettegenstaande de uitgebreide rechtspraak hieromtrent van het Hof van Justitie, volledig verkeerd uitgelegd en toegepast. Als eerste worden de feiten van het behandelde vonnis toegelicht, alsook de uiteindelijke uitspraak van de voorzieningenrechter. Aansluitend volgt een kritische analyse van deze uitspraak in het licht van het EU-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie, in het bijzonder deze omtrent het begrip ‘grensoverschrijdend belang’.