TOP 2014/41 - Sign. - Bewijsmateriaal voor belastingheffing
Aflevering 1, gepubliceerd op 01-02-2014 Een belastingplichtige is op grond van art. 47 AWR verplicht om aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. De onderhavige vordering is op die wettelijke verplichting is gegrond, zodat uitgangspunt is dat de gevraagde voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daaraan staat art. 6 EVRM niet in de weg. Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, van dit uitgangspunt moet worden afgeweken in verband met de mogelijkheid dat eiser bij toewijzing van de vordering op een met art. 6 EVRM strijdige wijze zou worden gedwongen mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging, en hij bij weigering om aan het in dit kort geding gegeven bevel te voldoen, een dwangsom zou verbeuren. Het EHRM heeft overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, wat meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (wilsonafhankelijk materiaal). De verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel levert dan ook geen schending van art. 6 EVRM op, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden. Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (wilsafhankelijk materiaal), staat voorop dat de verkrijging mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een criminal charge tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt, zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitvoeren. Nu hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, moet de rechter in de vereiste waarborgen voorzien. De (voorzieningen)rechter moet een op het vorenstaande gerichte clausulering verbinden aan het door hem uit te spreken bevel. De vordering is door de Staat met een beroep op art. 47 AWR ingesteld met het oog op belastingheffing, terwijl mogelijk gebruik van de gevorderde informatie ten behoeve van bestuurlijke beboeting of bestraffing niet is uitgesloten. Ter voldoening aan de eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien, moet de te treffen voorziening, voor zover die wilsafhankelijk materiaal betreft, in die zin worden beperkt dat een zodanig bevel alleen mag worden gegeven met de restrictie dat het verstrekte materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. Zou het aldus in handen van de inspecteur, en daarmee van de Staat, geraakte materiaal desondanks mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel welk gevolg moet worden verbonden aan schending van de door de voorzieningenrechter gestelde restrictie, toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover de in het vonnis vermelde bevelen zonder restrictie zijn gegeven, en bepaalt, in zoverre opnieuw rechtdoende: dat voor zover die bevelen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van eiser afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. Naar aanleiding van het arrest bespreekt annotator Nuyten drie vragen: (1) wat moet worden verstaan onder wilsafhankelijk materiaal, (2) wat zijn de gevolgen van dit arrest voor een inlichtingenvordering van een toezichthouder, en (3) wat gebeurt er bij gebruik van het wilsafhankelijk materiaal in strijd met de clausulering van de rechter die het bevel heeft afgegeven?