WPNR 2006, afl. 6658 - Gij zult spreken
Aflevering 6658, gepubliceerd op 18-03-2006 geschreven door Mr. dr. J.G. ter MeerTot 1 januari 2006 vond men de wettelijke vertaling van het leerstuk van verzwijging bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst in art. 251 K.Dat verzwijging ook strafrechtelijke gevolgen kan hebben wordt door velen vergeten. Art. 327 Sr bepaalt dat strafbaar is hij die door listige kunstgrepen de verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zodat deze een overeenkomst sluit die hij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien hij de ware stand van zaken gekend had. Een artikel dat tot de klassiekers behoort en velen nog lang zal heugen. Velen kwalificeerden het als vlijmscherp wapen. In de uitwerking kon het zeer onredelijke resultaten opleveren. Onredelijk, omdat een terecht beroep op verzwijging tot vernietiging van de verzekeringsovereenkomst leidde en daarmee elk recht op schadevergoeding wegviel. Verder was het ontbreken van enig verband tussen het verzwegene en (de oorzaak en omvang van) de schade irrelevant. Hoewel met behulp van polisvoorwaarden en rechtspraak sommige van die scherpe kanten geheel of gedeeltelijk teniet waren gedaan bleef het wapen zeer effectief.En zal dat ingevolge art. 221 lid 2 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek nog één jaar na 1 januari 2006 blijven. Het eerste ontwerp voor de vanaf 1 januari 2006 geldende regeling is te vinden in het uit 1972 daterende Voorontwerp Nieuw BWVoorontwerp, het zgn. Groene Boek. opgesteld door prof. mr. T.J. Dorhout Mees. Met het in 1986 gedane voorstelKamerstukken II 1985/1986, 19 529, nr. 1-3. is de Regering op de ingeslagen weg voort gegaan. De definitieve regeling is opgenomen in drie artikelenDe vierde bepaling, art. 7:931 BW, stelt buiten twijfel dat de verzekeraar op de vernietigingsgronden als bedoeld in art. 3:44 BW (bedrog) en 6:228 BW (dwaling) geen beroep kan doen. Voor de achtergronden zie Asser-Clausing-Wansink, nr. 93., die onderdeel zijn van de eerste afdeling van titel 17 van boek 7. Daarmee gelden ze voor zowel de schade- als de sommenverzekering.Zij zijn ingevolge art. 7:927 BW niet op herverzekering van toepassing. De eerste van de reeks, art. 7:928 BW, regelt in maar liefst zes onderdelen (de omvang van) de mededelingsplicht. De tweede, 7:929 BW, beschrijft de gevolgen van een schending van de mededelingsplicht voor de inhoud en het bestaan van de verzekeringsovereenkomst. De reeks wordt afgesloten met art. 7: 930 BW dat bepaalt hoe een schending van de mededelingsplicht uitwerkt op het recht op schade-uitkering.