WPNR 2010, afl. 6864 - Het lossingsrecht
Aflevering 6864, gepubliceerd op 20-11-2010 geschreven door Prof. mr. S.E. Bartels en Mw. mr. drs. V. TweehuysenHet burgerlijk recht kent op verscheidene plaatsen een lossingsrecht. Voor pandrecht is het lossingsrecht neergelegd in art. 3:249 lid 2 BW en voor hypotheekrecht in art. 3:269 BW. Het lossingsrecht houdt kort gezegd in dat de schuldenaar een dreigende executoriale verkoop door de pand- of hypotheekhouder kan voorkómen door hetgeen waarvoor het zekerheidsrecht tot waarborg strekt, te voldoen. Hetzelfde recht komt in faillissement van de schuldenaar op grond van art. 58 lid 2 Fw toe aan de curator.Het lossingsrecht komt onder het huidige recht niet alleen toe aan de schuldenaar, maar ook aan derden, vgl. art. 6:30 BW. Wat wij in het navolgende zeggen over “de schuldenaar”, geldt mutatis mutandis in beginsel ook voor de derde of de curator die lost. Zie echter A. Steneker, noot bij HR 19 februari 2010, JBPr 2010/29, onder 4, over subrogatie in geval van een lossende derde. Voor teboekgestelde luchtvaartuigen geldt niet art. 58 lid 2 Fw, maar art. 59a lid 6 Fw. Deze regeling wijkt inhoudelijk niet af van die van art. 58 lid 2 Fw, zie Van Sint Truiden 2008 (T&C Insolventierecht), art. 59a Fw, aant. 7. Overigens is er in geval van een ?nanciëlezekerheidsovereenkomst geen mogelijkheid tot lossing, zie art. 7:54 lid 5 BW. Daarnaast kan de curator op grond van art. 60 lid 2, tweede zin Fw een lossingsrecht inroepen tegen de retentor.