WPNR 2014, afl. 7027 - Naschrift
Aflevering 7027, gepubliceerd op 26-07-2014 geschreven door Mr. G.G.B. Boelens en Mr. P.C. van Es1. Perrick en wij zijn het eens dat bij een combinatie van de wettelijke verdeling en een fideï-commis (met de langstlevende echtgenoot als bezwaarde, de kinderen als verwachters en een ander dan een in de verdeling betrokken kind als erfgenaam van de bezwaarde) de overbedelingsschulden aan de kinderen uit hoofde van de wettelijke verdeling - na het overlijden van de bezwaarde - behoren over te gaan op de verwachters en niet op de erfgenaam van de bezwaarde. Voor Perrick is deze overgang op de verwachters vanzelfsprekend omdat de schulden terzake van overbedeling tot het ‘fideï-commissaire vermogen’ behoren. Zie onder 2 in zijn reactie, waarin tevens met zoveel woorden staat vermeld dat de schulden wegens overbedeling geen schulden zijn in de nalatenschap van de eerstgestorven echtgenoot (insteller), noch schulden in de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot (bezwaarde). De enkele opmerking dat de overbedelingsschulden behoren tot het fideï-commissaire vermogen verklaart niet direct dat en hoe deze overgaan op de verwachters als art. 4:141 BW tot uitgangspunt wordt genomen. Ten aanzien van de goederen van de nalatenschap van de insteller geldt dat de verwachter hiertoe - behoudens verwerping - onmiddellijk na het overlijden van de erflater voorwaardelijk gerechtigd is, namelijk onder de aan het fideï-commis verbonden opschortende voorwaarde. Treedt deze voorwaarde in, dan wordt de verwachter onvoorwaardelijk gerechtigd tot deze (resterende) goederen en hetgeen hiervoor door zaaksvervanging in de plaats is gekomen. De overgang van rechtswege van tot het fideï-commis behorende schulden kan verklaard worden op grond van art. 4:182 lid 2 BW. Als de verwachter door het intreden van de aan het fideï-commis verbonden opschortende voorwaarde onvoorwaardelijk erfgenaam wordt, is hij op grond van dit artikellid van rechtswege schuldenaar ‘van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan’. Tegen deze achtergrond moet ons betoog in § 2.1.2 worden gezien dat de overbedelingsschulden uit hoofde van de wettelijke verdeling voor de toepassing van art. 4:182 lid 2 BW gelijkgesteld moeten worden met een art. 4:7 lid 1 sub a BW-schuld (schuld van de erflater) in de nalatenschap van de eerstgestorven echtgenoot (insteller). De benadering waar Perrick ons de ogen voor opent, lijkt in te houden dat het fideï-commissaire vermogen op de verwachter overgaat als ‘algemeenheid van goederen’ (dat wil zeggen een veelheid van actieve en passieve vermogensbestanddelen die een eenheid blijven niettegenstaande de wisseling van de bestanddelen; zie Toelichting Meijers bij art. 3.1.1.11, Parl. Gesch. Boek 3, p. 98). Ook de (eventueel latere) schulden van de bezwaarde die gerekend moeten worden tot dit afgescheiden vermogen gaan alsdan bij het in vervulling gaan van de voorwaarde over op de verwachter.De door Perrick voorgestane benadering wordt in de literatuur niet algemeen gevolgd. Brinkman betoogt dat door de bezwaarde gemaakte schulden die geacht worden tot het fideï-commissaire vermogen te behoren, door de verwachter dienen te worden overgenomen van de bezwaarde (of van zijn rechtverkrijgenden) nu dit geen schulden van de insteller zijn. Enkel de laatstbedoelde schulden gaan volgens Brinkman van rechtswege over. Zie R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis: over de rechtsposities van de bezwaarde en de verwachter en het aanvaarden van een voorwaardelijke erfstelling (I)’, WPNR (2011) 6894, p. 593-594. Zo ook Handboek Erfrecht (2011), L.C.A. Verstappen, IX 3.9, p. 290. Hierbij zij opgemerkt dat art. 3.1.1.11 van het Ontwerp Meijers niet tot wet is geworden, maar dat de nalatenschap als algemeenheid van goederen wel terugkomt in art. 3:222 lid 1 BW.