Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:142, 15/150 en 15/398

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:142, 15/150 en 15/398

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
12 april 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:142
Formele relaties
Zaaknummer
15/150 en 15/398

Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete Msw, bevestiging van de uitspraak met verbetering van gronden, strijd met de onschuldpresumptie.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 15/150 en 15/398

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna de minister of de staatssecretaris), appellant (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa),

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2015, kenmerk UTR 13/2784, in het geding tussen

en

(gemachtigden: mr. G. Golstein en D.H. Pannekoek).

Procesverloop in hoger beroep

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:347, hierna: de aangevallen uitspraak).

[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016.

De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [naam 2] (inspecteur Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, hierna: NVWA). [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden.

De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).

Het College heeft 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653, ECLI:NL:CBB:2018:654).

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] heeft een agrarisch bedrijf in pluimvee en varkens.

1.3

Bij brief van 6 januari 2012 heeft de staatssecretaris in het kader van een controle op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) [naam 1] onder meer verzocht informatie aan te leveren over de varkenstak van zijn bedrijf in 2010. Op 13 januari 2012 heeft [naam 1] het formulier ‘Meer informatie varkens 2010’ ingevuld geretourneerd.

1.4

De staatssecretaris heeft bij brief van 31 maart 2012 het voornemen geuit aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van de Msw in het kalenderjaar 2010. [naam 1] heeft op 14 april 2012 een zienswijze ingediend.

1.5

Bij besluit van 3 juli 2012 heeft de staatssecretaris, conform het voornemen, een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 28.064,- ter zake van overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw) in 2010. Aan de opgelegde bestuurlijke boete heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat [naam 1] voor het jaar 2010 niet volledig heeft verantwoord dat de op zijn bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd. De staatssecretaris heeft de hoogte van de opgelegde boete, op grond van artikel 58 van de Msw, gebaseerd op een hoeveelheid van 1.297 kilogram fosfaat en 1.971 kilogram stikstof waarvan de afvoer niet is verantwoord.

1.6

Tegen dit besluit heeft [naam 1] bezwaar gemaakt.

1.7

Bij besluit van 18 april 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] gedeeltelijk gegrond verklaard. Rekening houdend met een bezinklaag in de mestopslagputten op het bedrijf is onder meer een hogere eindvoorraad vastgesteld. De boete is bij het besluit van 18 april 2013 vastgesteld op € 15.738,-.

1.8

Tegen dit besluit heeft [naam 1] beroep ingesteld.

1.9

Na de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank op 5 juni 2014 is het onderzoek geschorst om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen te reageren op ter zitting door [naam 1] overgelegde stukken.

1.10

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft de staatssecretaris het besluit van 18 april 2013 gewijzigd en de opgelegde boete verlaagd tot € 15.304,-, waarbij de boete is gebaseerd op een hoeveelheid van 557 kilogram niet verantwoorde fosfaat en 1.311 kilogram niet verantwoorde stikstof.

Uitspraak van de rechtbank

2. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 april 2013 is niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 20 mei 2014 is gegrond verklaard. De rechtbank heeft laatstgenoemd besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het door [naam 1] betaalde griffierecht en de door [naam 1] gemaakte proceskosten.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing