College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:208, 15/849 en 15/840
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:208, 15/849 en 15/840
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 21 mei 2019
- Datum publicatie
- 21 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:208
- Zaaknummer
- 15/849 en 15/840
Inhoudsindicatie
Hoger beroep inzake een bestuurlijke boete op grond van overtreding van artikel 7 van de Msw. De uitspraak wordt vernietigd en het boetebesluit wordt herroepen met verwijzing naar de uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 15/849 en 15/850
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, appellant; hierna: de minister of de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)
en
(gemachtigde mr. M.J. Smaling)
tegen de uitspraak van de rechtbank van Zeeland-West-Brabant van 17 september 2015, kenmerk 14/4912, in het geding tussen de maatschap en de minister.
Procesverloop in hoger beroep
De staatssecretaris en de maatschap hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris en de maatschap hebben een reactie op elkaars hogerberoepschriften ingediend.
Op 24 november 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.
De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht.
De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).
Het College heeft op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).
Bij griffiersbrief van 17 april 2019 is partijen medegedeeld dat vanwege het defungeren van twee van de raadsheren die de zaak ter zitting hebben behandeld twee nieuwe leden van de meervoudige kamer zijn aangewezen voor het doen van de uitspraak, zijn partijen in de gelegenheid gesteld voor 1 mei 2019 kenbaar te maken of zij om die reden een nieuwe behandeling ter zitting wensen, is partijen medegedeeld dat indien zij niet binnen deze termijn reageren het College ervan uitgaat dat dit niet het geval is en dat dan uitspraak zal worden gedaan op uiterlijk 21 mei 2019. Van partijen is binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen.
Grondslag van het geschil
De maatschap exploiteert een varkenshouderij met fokzeugen en vleesvarkens en een beperkt areaal grond waarop gewassen worden geteeld. De Dienst Regelingen heeft op 21 oktober 2011 aan de maatschap verzocht gegevens aan te leveren over het jaar 2010 in het kader van een onderzoek naar de gebruiksruimte en de hoeveelheid meststoffen die zij heeft gebruikt. Op 1 november 2011 heeft de maatschap de formulieren “Meer informatie varkens 2010” en “Meer informatie graasdieren 2010” ingevuld geretourneerd. Bij brief van 22 mei 2012 heeft de staatssecretaris het voornemen geuit aan de maatschap een boete op te leggen van in totaal € 78.957,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2010. Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van de zienswijze van de maatschap en aanvullende informatie omtrent onder meer de bezinklaag in één van de opslagen van de maatschap, een boete opgelegd van € 21.504,-. Voor de hoogte van de boete is de staatssecretaris uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 2.583 kilogram en overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 978 kilogram.
Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.
Bij brief van 22 oktober 2014 heeft de staatssecretaris naar aanleiding van het door de maatschap ingestelde beroep een verweerschrift ingezonden met daarbij een herberekening van de begin- en de eindvoorraad en een daaruit volgende verlaging van de boete naar
€ 15.100,50. Ter zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2015 heeft de staatssecretaris opnieuw een herberekening overgelegd waarin wordt geconcludeerd dat de boete moet worden vastgesteld op € 14.285,-.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juli 2014 vernietigd voor wat betreft de hoogte van de boete, de hoogte van de boete bepaald op € 8.319,50, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 juli 2014, de staatssecretaris opgedragen het betaalde griffierecht aan de maatschap te vergoeden en de staatssecretaris veroordeeld in de door de maatschap in beroep gemaakte proceskosten.
De rechtbank heeft gelet op de herberekening van de boete in beroep geconstateerd dat het beroep reeds daarom gegrond is. Bij het zelf vaststellen van de boete overweegt de rechtbank allereerst, in het kader van de vaststelling van de omvang van het geding, dat hoewel feitelijk sprake is van een en dezelfde gedraging het systeem van de Msw leidt tot overtreding van een drietal normstellingen die ieder afzonderlijk worden beboet. In het primaire besluit, zoals dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, zijn boetes opgelegd voor het overschrijden van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen alsmede voor de overschrijding van de stikstofgebruiksnorm. De in beroep overgelegde berekeningen gaan echter tevens uit van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm die eveneens beboet wordt. Aangezien daarvoor niet eerder een boete is opgelegd, valt dit volgens de rechtbank buiten de omvang van het voorgelegde geschil (overweging 5). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris wel terecht boetes kunnen opleggen wegens overtreding van de Msw. De stellingen van eiseres dat er sprake is van normoverschrijdingen op papier, en dat voor zover deze overschrijdingen moeten worden aangenomen deze eiseres niet kunnen worden verweten dan wel dat de boete dient te worden gematigd, worden door de rechtbank niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen en de stikstofgebruiksnorm zijn overschreden. De stelling van de maatschap dat de productie onjuist is berekend, slaagt niet. De verwijzing naar de gemiddelde mestproductiegegevens van het CBS is onvoldoende om op basis daarvan aan te nemen dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. De beroepsgrond ten aanzien van weging, monsterneming en monsteranalyse slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de resultaten waarvan uitgegaan is onvoldoende betrouwbaar zijn. Wel stelt de rechtbank vast dat, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft erkend, bij de berekening van het stikstofgat niet van de juiste cijfers is uitgegaan. Rekening houdend met de bijstelling van het stikstofgat stelt de rechtbank de boete vast op een bedrag van € 8.319,50.