Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:223, 15/741

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:223, 15/741

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28 mei 2019
Datum publicatie
3 juni 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:223
Zaaknummer
15/741

Inhoudsindicatie

Hoger beroep inzake een bestuurlijke boete op grond van overtreding van artikel 14 van de Msw. De uitspraak wordt vernietigd en het boetebesluit wordt herroepen met verwijzing naar de uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/741

(gemachtigde mr. A.M. Smetsers)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 augustus 2015, kenmerk 11/1287, in het geding tussen

appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna: de minister of de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 augustus 2015 (de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Op 8 december 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op ter zitting gestelde vragen.

Bij brief van 20 december 2016 heeft de staatssecretaris de gevraagde toelichting gegeven. Bij brief van 25 januari 2017 heeft appellante daarop haar reactie gegeven.

De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).

Het College heeft 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).

Geen van de partijen heeft, nadat zij bij brief van het College van 28 februari 2019 de mogelijkheid hebben gekregen te kennen te geven op een nadere zitting gehoord te willen worden, dan wel een reactie te geven op de bovengenoemde uitspraken van 18 december 2018, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, van een van deze mogelijkheden gebruik gemaakt. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Grondslag van het geschil

1.1

Appellante voerde een agrarisch bedrijf in vleeseenden. Het bedrijf is gestart in 2006 en beëindigd in 2009.

1.2

De staatssecretaris heeft bij brief van 29 mei 2009 naar aanleiding van een afdoeningsrapport van de Algemene Inspectiedienst van 17 maart 2009 het voornemen geuit aan appellante een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw) in het kalenderjaar 2007.

1.3

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft de staatssecretaris, conform het voornemen, aan appellante een boete opgelegd van € 241.276,- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw. Aan de opgelegde bestuurlijke boete heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat appellante voor het jaar 2007 niet volledig heeft verantwoord dat de op haar bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd. De staatssecretaris heeft de hoogte van de opgelegde boete, op grond van artikel 58 van de Msw, gebaseerd op een hoeveelheid van 13.041 kilogram fosfaat en 13.975 kilogram stikstof waarvan de afvoer niet is verantwoord.

1.4

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.5

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de staatsecretaris het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 227.267,-.

1.6

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

1.7

Tijdens de behandeling van het beroep ter zitting van 31 mei 2012 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Op 12 februari 2014 heeft een tweede onderzoek ter zitting plaats gehad. Ter zitting is het onderzoek opnieuw geschorst om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de financiële stukken in het kader van het beroep van appellante op verminderde draagkracht te beoordelen.

1.8

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de staatssecretaris het besluit van 28 juli 2011 herzien vanwege verminderde draagkracht en de boete gematigd met 50% tot € 113.633,50.

1.9

Naar aanleiding van de zitting bij het College heeft de staatssecretaris bij de brief van 20 december 2016 een herberekening ingediend en het standpunt ingenomen dat, op basis van deze berekening en de matiging van 50%, de boete zou moeten worden vastgesteld op

€ 70.738,-.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 28 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 december 2014 ongegrond verklaard.

2.2

De rechtbank heeft het betoog van de maatschap, dat uitgegaan moet worden van veel hogere waarden stikstof en fosfaat in de eindvoorraad en dat bovendien de schatting van het gewicht van de eindvoorraad onnauwkeurig is, afgewezen. Kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat de afvoergegevens over 2007 niet als uitgangspunt kunnen worden genomen en dat het aan appellante is om weeggegevens te overleggen. De afvoergegevens over 2009 en 2010 zijn onvoldoende om aan te nemen dat de stikstof- en fosfaatwaarden in de eindvoorraad hoger zijn. Ook de verwijzing van appellante naar een rapport van ASG uit 2008, waaruit volgens appellante blijkt dat het nauwkeurig bemonsteren van eendenmest zeer moeilijk is en om die reden zorgt voor uiteenlopende analyseresultaten, is daarvoor ontoereikend. Nu appellante de eindvoorraad niet heeft laten bemonsteren, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de bepaling van het voorraadsaldo op het bedrijf onjuist is. Voor een verdere matiging dan de door de staatssecretaris toegepaste 50% ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet onaannemelijk is dat door verkoop van gronden, thans bestemd voor woningbouw, de financiële situatie van appellante zal verbeteren zodat zij haar schulden zal kunnen voldoen en de boete, met een betalingsregeling, zal kunnen betalen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing