Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-06-2019, ECLI:NL:CBB:2019:245, 14/51 en 14/209

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-06-2019, ECLI:NL:CBB:2019:245, 14/51 en 14/209

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 juni 2019
Datum publicatie
25 juni 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:245
Formele relaties
Zaaknummer
14/51 en 14/209

Inhoudsindicatie

Hoger beroep inzake een bestuurlijke boete op grond van overtreding van artikel 7 van de Msw. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verwijzing naar uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652 en ECLI:NL:CBB:2018:653).

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 14/51 en 14/209

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, appellant, hierna: de minister of de staatssecretaris)

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. M. Leegsma),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 december 2013, kenmerk 12/6377, in het geding tussen

(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de minister.

Procesverloop in hoger beroep

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 december 2013 (ECLI:NL:RBGEL:2013:5954, hierna: de aangevallen uitspraak).

[naam] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij faxbericht van 9 september 2015 heeft [naam] gereageerd op een door de staatssecretaris ter zitting overgelegd overzicht.

Bij beschikking van 9 oktober 2015 (hierna: de heropeningsbeschikking) heeft het College het onderzoek heropend, de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na verzending van de beschikking een schriftelijke reactie te geven op het faxbericht van [naam] van 9 september 2015 en iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij faxbericht van 9 november 2015 heeft de staatssecretaris gereageerd op het faxbericht van [naam] van 9 september 2015.

[naam] heeft op 2 december 2015 nadere gronden ingediend en op 28 december 2015 nadere gronden ingediend en nadere producties overgelegd. De staatssecretaris heeft hierop bij brief van 19 januari 2016 gereageerd.

De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).

Het College heeft op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).

Geen van de partijen heeft, nadat zij bij brief van het College van 28 februari 2019 de mogelijkheid hebben gekregen te kennen te geven op een nadere zitting gehoord te willen worden, dan wel een reactie te geven op de bovengenoemde uitspraken van 18 december 2018, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, van een van deze mogelijkheden gebruik gemaakt. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Grondslag van het geschil

1.1

[naam] is (melk)veehouder. Op 16 maart 2012 heeft [naam] op verzoek van de Dienst Regelingen de formulieren “Meer informatie kunstmest 2011” en “Meer informatie graasdieren 2011” ingevuld geretourneerd. Bij brief van 12 april 2012 heeft de staatssecretaris het voornemen geuit aan [naam] een boete op te leggen van in totaal € 40.547,- wegens overtreding van artikel 7 in samenhang met artikel 8 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2011. Op 31 mei 2012 heeft de staatssecretaris hierop een zienswijze van [naam] ontvangen. Bij besluit van 26 juli 2012 (primair besluit) heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van de zienswijze van [naam] en aanvullende informatie omtrent de aantallen graasdieren, de eindvoorraad kunstmest en de eindvoorraad dierlijke mest 2011, aan [naam] een bestuurlijke boete opgelegd van € 9.506,- wegens overtreding in het jaar 2011 van artikel 7 in samenhang met artikel 8 van de Msw. Voor de hoogte van de boete is de staatssecretaris uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1.358 kilogram stikstof.

1.2

Bij besluit van 9 november 2012 (eerste bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het hiertegen gerichte bezwaar van [naam] ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [naam] beroep ingesteld.

1.3

Bij besluit van 23 augustus 2013 (tweede bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het eerste bestreden besluit herzien, het door [naam] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen in die zin dat aan [naam] een boete van

€ 980,- is opgelegd. Bij de vaststelling van de overtreding en de berekening van de boete is de staatssecretaris uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 140 kg stikstof.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank Gelderland heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet‐ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het tweede bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, bepaald dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op nihil, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, de staatssecretaris opgedragen het betaalde griffierecht aan [naam] te vergoeden en de staatssecretaris veroordeeld in de door [naam] in beroep gemaakte proceskosten.

2.2

De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat de berekening door de staatssecretaris van het gebruik van dierlijke meststoffen door [naam] resulteert in een verhouding fosfaat-stikstof van 1:5,43, die sterk afwijkt van de verhoudingen die vermeld staan in de door staatssecretaris gebruikte tabel forfaitaire stikstof- en fosfaatgehalten in dierlijke mest, die in casu 1:3,02 bedraagt. [naam] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat deze berekening, die deels op forfaitaire normen en deels op de werkelijke waarden uit de afgevoerde mest is gebaseerd, tot een uitkomst met een irreële stikstof-fosfaatverhouding leidt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op het standpunt mogen stellen dat [naam] 3.945 kg stikstof heeft aangewend.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing