College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:327, 16/131
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:327, 16/131
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 30 juli 2019
- Datum publicatie
- 30 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:327
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:3242, Overig
- Zaaknummer
- 16/131
Inhoudsindicatie
Hoger beroep inzake een bestuurlijke boete op grond van overtreding van artikel 7 van de Msw. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd met verwijzing naar uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652 en ECLI:NL:CBB:2018:653).
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 16/131
(gemachtigde: mr. D. Pool)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 januari 2016, met kenmerk HAA 14/5143, in het geding tussen
appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, hierna: de minister of de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 januari 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:3242, hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Op 11 november 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante en P.J. Houtsma, en de staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Het College heeft bij beschikking van 18 november 2016 het onderzoek heropend, de staatssecretaris verzocht antwoord te geven op een aantal vragen, appellante verzocht haar reactie op die antwoorden te geven en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij brief van 12 januari 2017 met producties heeft de staatssecretaris het gevraagde antwoord gegeven. Bij brief van 10 februari 2017, door het College ontvangen op 13 februari 2017, heeft appellante daarop haar reactie gegeven.
De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).
Het College heeft op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).
Naar aanleiding van een brief van het College van 28 februari 2019, waarin zij de mogelijkheid hebben gekregen te kennen te geven op een nadere zitting gehoord te willen worden, dan wel een (nadere) reactie te geven op de bovengenoemde uitspraken van 18 december 2018, hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Appellante heeft in haar brief van 5 maart 2019 daarnaast een beroep gedaan op de uitspraken van het College van 18 december 2019. De minister heeft in zijn reactie van 14 maart 2019 betoogd dat het beroep van appellante op de uitspraken van het College van 18 december 2018 niet opgaat.
Bij griffiersbrief van 16 april 2019 is partijen medegedeeld dat vanwege het defungeren van één van de raadsheren die de zaak ter zitting heeft behandeld een nieuw lid van de meervoudige kamer is aangewezen voor het doen van de uitspraak, zijn partijen in de gelegenheid gesteld binnen twee weken kenbaar te maken of zij om die reden een nieuwe behandeling ter zitting wensen, en is partijen medegedeeld dat indien zij niet binnen deze termijn reageren het College ervan uitgaat dat dit niet het geval is. Van partijen is binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Grondslag van het geschil
Appellante exploiteert een manege. In verband met een administratieve controle op naleving van de Meststoffenwet (Msw) heeft de staatssecretaris bij brief van 22 maart 2013 in dit verband om informatie verzocht. Bij brief van 25 april 2013 heeft eiseres de gevraagde informatie aan de staatssecretaris verstrekt. Op basis van de administratieve controle heeft de staatssecretaris bij brief van 11 juni 2013 het voornemen geuit aan appellante een boete op te leggen van in totaal € 9.983,- wegens overtreding van artikel 7 in samenhang met artikel 8 van de Msw in het jaar 2012. Bij besluit van 27 september 2013 is aan appellante een boete opgelegd, conform het voornemen, van € 9.983,-. De staatssecretaris is daarbij uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1.082 kilogram en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 438 kilogram. Naar aanleiding van het tegen het boetebesluit gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris nader onderzoek gedaan. De in het kader daarvan verkregen schriftelijke verklaringen van [naam 3] B.V. en van [naam 4] , vanwege vermeende levering en het brengen van mest op het bedrijf van appellante, zijn aan appellante voorgelegd. Naar aanleiding van de reactie van appellante heeft de staatsecretaris nadere informatie ingewonnen bij [naam 4] . De verkregen informatie, van 16 oktober 2014, heeft de staatssecretaris bij het besluit op bezwaar gevoegd.
Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
Het beroep is door de rechtbank Noord-Holland in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de staatssecretaris terecht aan de boete ten grondslag heeft gelegd dat (onder meer) ten gevolge van de afname van zestien vrachten mest in 2012, van in totaal 579,90 ton dierlijke mest met daarin 1.185 kilogram fosfaat en 2.463 kilogram stikstof, de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm in het jaar 2012 zijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de door de staatssecretaris gepresenteerde bewijzen in voldoende mate is aangetoond dat de zestien vrachten mest op of in de bodem zijn gebracht van gronden die behoren tot het bedrijf van eiseres. Bij de bewijzen heeft de rechtbank onder meer betrokken de door de staatssecretaris gepresenteerde AGR/GPS-gegevens en een door (een vertegenwoordiger van) het bedrijf ondertekend formulier waarop de desbetreffende (door middel van de zestien vrachten geleverde) meststoffen staan vermeld als aangevoerd op het bedrijf. Appellante heeft, ook naar aanleiding van het voornemen tot boeteoplegging, geen melding gemaakt van onjuistheden en heeft de aanvoer niet gecorrigeerd. Uit de AGR/GPS-gegevens blijkt dat de loslocaties van zestien vrachten mest op 28 februari 2012, 2 maart 2012, 7 maart 2012, 20 april 2012, 15 juni 2012 en 16 juni 2012 zich op of in de buurt van het perceel van [naam 4] bevinden, die heeft verklaard op basis van een mestafzetcontract met appellante de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) te hebben getekend en, in overeenstemming met de afspraken, de mest over het land van appellante te hebben uitgereden, met hulp van zijn zoons. Appellante is er niet in geslaagd dit overtuigend te weerleggen.
Het betoog van appellante dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding volgt de rechtbank niet. De rechtbank is het met de staatssecretaris eens dat het op de weg lag van appellante om controle uit te oefenen op de door [naam 4] verrichte werkzaamheden. Appellante had bovendien op eenvoudige wijze de bij de staatssecretaris geregistreerde aan- en afvoer van dierlijke meststoffen op en van haar bedrijf kunnen controleren en kunnen bijsturen. De rechtbank overweegt daarbij het niet aannemelijk te achten dat het aanwenden van de mest geheel buiten medeweten van appellante heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft appellante erkend dat zij in het bezit is (gekomen) van de VDM’s.
Het betoog dat bij het berekenen van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen is uitgegaan van onjuiste gegevens volgt de rechtbank niet.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ten slotte, noch op grond van draagkracht, noch op grond van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) redenen om de boete te matigen.