College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:328, 15/830
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:328, 15/830
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 30 juli 2019
- Datum publicatie
- 30 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:328
- Zaaknummer
- 15/830
Inhoudsindicatie
Hoger beroep inzake een bestuurlijke boete op grond van overtreding van artikel 7 van de Msw. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd met verwijzing naar uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652 en ECLI:NL:CBB:2018:653).
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/830
(gemachtigde: P.J. Houtsma)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2015, kenmerk LEE 15/1157, in het geding tussen
appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, hierna: de minister of de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Appellante heeft nadere gronden ingediend.
Op 11 november 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. De gemachtigde van de staatssecretaris is ter zitting bijgestaan door [naam 2] (toezichthouder NVWA). Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Het College heeft bij beschikking van 18 november 2016 het onderzoek heropend, de staatssecretaris verzocht antwoord te geven op een aantal vragen, appellante verzocht haar reactie op die antwoorden te geven en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij brief van 9 januari 2017 met producties heeft de staatssecretaris het gevraagde antwoord gegeven. Bij brief van 13 februari 2017 heeft appellante daarop haar reactie gegeven.
De uitspraak is in verband met de behandeling van een drietal andere zaken aangehouden. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de president van het College mr. P.J. Wattel (de raadsheer advocaat-generaal) in deze drie zaken, 15/382, 15/430 en 15/692, verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De raadsheer advocaat-generaal heeft op 22 mei 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2018:187).
Het College heeft op 18 december 2018 uitspraak gedaan in de genoemde zaken (ECLI:NL:CBB:2018:652, ECLI:NL:CBB:2018:653 en ECLI:NL:CBB:2018:654).
Bij brief van 7 januari 2019 heeft appellante een beroep gedaan op de uitspraken van het College van 18 december 2018.
Naar aanleiding van een brief van het College van 28 februari 2019, waarin zij de mogelijkheid hebben gekregen te kennen te geven op een nadere zitting gehoord te willen worden, dan wel een (nadere) reactie te geven op de bovengenoemde uitspraken van 18 december 2018, hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De minister heeft in zijn reactie van 14 maart 2019 daarnaast betoogd dat het beroep van appellante op de uitspraken van het College van 18 december 2018 niet opgaat.
Bij griffiersbrief van 16 april 2019 is partijen medegedeeld dat vanwege het defungeren van één van de raadsheren die de zaak ter zitting heeft behandeld een nieuw lid van de meervoudige kamer is aangewezen voor het doen van de uitspraak, zijn partijen in de gelegenheid gesteld binnen twee weken kenbaar te maken of zij om die reden een nieuwe behandeling ter zitting wensen, en is partijen medegedeeld dat indien zij niet binnen deze termijn reageren het College ervan uitgaat dat dit niet het geval is. Van partijen is binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Grondslag van het geschil
Appellante exploiteert een paardenstal en manege. Naar aanleiding van een onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar aflevering van mest bij fictieve afnemers is op 27 februari 2013 een afdoeningsrapport opgemaakt waaruit blijkt dat in 2010 onder meer aan appellante (varkens)mest is geleverd. De NVWA heeft vervolgens het bedrijf van appellante gecontroleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw) en in het rapport geconcludeerd dat appellante in het jaar 2010 artikel 7 van de Msw heeft overtreden. Appellante heeft geen gehoor gegeven aan verzoeken en aan lasten onder dwangsom van de staatssecretaris betreffende het verstrekken van aanvullende gegevens omtrent de gebruiksruimte van appellante en de hoeveelheid door haar gebruikte meststoffen. Bij brief van 10 december 2013 heeft de staatssecretaris het voornemen geuit aan appellante een boete op te leggen van in totaal € 46.386,- wegens overtreding van artikel 7 in samenhang met artikel 8 van de Msw in het jaar 2010. De staatssecretaris heeft op basis van de bevindingen van de NVWA bij besluit van 28 mei 2014 aan appellante een boete opgelegd van € 42.465,-. De staatssecretaris is daarbij uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 4.090 kilogram, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 183 kilogram en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 2.399 kilogram.
Bij besluit van 6 maart 2015 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard en de boete bepaald op € 38.218,50.
Uitspraak van de rechtbank
Het beroep is door de rechtbank Noord-Nederland in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht de vrachten mest van [naam 3] en de vrachten mest van [naam 4] heeft aangemerkt als aangewend op de gronden van appellante. Wat betreft de vrachten van [naam 3] heeft de rechtbank hiertoe verwezen naar de door de staatssecretaris overgelegde vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s), de door de staatssecretaris overgelegde machtiging door appellante van een tussenpersoon tot het tekenen van de VDM’s namens appellante en de registratie in de eigen mestboekhouding van de aanvoer van de vrachten. Wat betreft de vrachten van [naam 4] heeft de rechtbank verwezen naar de GPS-gegevens van de loslocaties van mest en naar het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot [naam 4] . Uit dat onderzoek blijkt dat in de administratie van [naam 4] van de ‘zwarte mest’ onder meer de naam en adresgegevens van appellante worden vermeld, een keer met de toevoeging 10 x, en dat [naam 4] heeft verklaard dat hij met boeren overeenkwam dat hij mest aanvoerde die zij vervolgens buiten de mestboekhouding hielden. Het betoog van appellante dat de mest van de paarden die op het bedrijf worden gehouden ten onrechte is meegeteld omdat alle paardenmest is afgevoerd heeft de rechtbank verworpen. Voor de stelling dat niet mocht worden uitgegaan van de in de berekening betrokken hoeveelheid paardenmest zijn naar het oordeel van de rechtbank geen steekhoudende argumenten aangevoerd. Bijzondere omstandigheden die nopen tot matiging van de boete zijn er naar het oordeel van de rechtbank niet.