FBN 2014/27 - Bedrijfsopvolgingsregeling niet discriminatoir als verkrijging bedrijfsvermogen wordt
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-05-2014 X heeft in 2007 vermogen geërfd. Een deel hiervan is door X onmiddellijk aangewend in zijn onderneming en behoorde sindsdien tot zijn ondernemingsvermogen. In tegenstelling tot de spraakmakende uitspraak van de Rechtbank Breda oordeelde het hof dat X geen recht heeft op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit als bedoeld in artikel 35b e.v. SW omdat het geërfde vermogen niet (meer) behoorde tot een onderneming van de erflater. Volgens het hof moet de keuze van de wetgever worden geëerbiedigd om de faciliteit niet van toepassing te laten zijn op bij overlijden verkregen niet-ondernemingsvermogen ook al gaat het direct daarna behoren tot het ondernemingsvermogen van de erfgenaam (Notafax 2013, nr. 104). Thans heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. Voor zover X een beroep doet op het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, stuit dit af op hetgeen is beslist in HR 22 november 2013 (FBN 2013, nr. 66). Dat geldt ook indien X stelt dat sprake is van discriminatie als geërfd vermogen bij de verkrijger tot zijn (verplichte) bedrijfsvermogen gaat behoren. Met de beperking van de faciliteit tot vermogen dat bij de erflater tot diens bedrijfsvermogen behoorde, is de wetgever gebleven binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid. Van die beperking, die aansluit bij het doel van de faciliteit (vergemakkelijking van bedrijfsopvolgingen), kan niet worden gezegd dat zij van elke redelijke grond is ontbloot.