FBN 2015/51 - Ook hof oordeelt dat lijfrentepolis moet worden gesplitst vanwege IB-heffing
Aflevering 9, gepubliceerd op 30-09-2015 Naar aanleiding van hun echtscheiding twisten M en V onder meer over een lijfrentepolis van M die behoort tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. M wil dat de polis aan hem wordt toegedeeld, maar V wenst dat de polis wordt gesplitst, aldus dat M en V een eigen polis met een gelijke waarde krijgen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat bij toedeling van de polis aan M de uitkering wegens onderbedeling bij V progressief zou worden belast met inkomstenbelasting op grond van artikel 3.102, lid 3, Wet inkomstenbelasting (hierna: Wet IB 2001). Dit gevolg kan slechts worden vermeden door de polis te splitsen. Het feit dat toedeling van de polis aan M en het aan V toekennen van een overbedelingsuitkering zou leiden tot een belastingheffing aan de zijde van V tegen het progressief tarief, terwijl V bij splitsing van de polis een voor haar gunstiger moment voor belastingheffing kan kiezen, is naar het oordeel van de rechtbank een valide argument voor het standpunt van V ter zake van de wijze van verdeling. Dat M een plan had voor de aanwending van de uitkering en hij de verzekeringnemer is, doen daaraan niet af. De rechtbank oordeelt dat de lijfrentepolis moet worden gesplitst, aldus dat M en V een eigen polis met gelijke waarde ten tijde van de splitsing krijgen.