FBN 2019/42 - WBRV : vrijgestelde splitsing van art. 4-lichaam was (deels) belast bij aandeelhouder
Aflevering 7-8, gepubliceerd op 16-08-2019 X is samen met twee familieleden aandeelhouder in een onroerendezaaklichaam als bedoeld in art. 4 WBRV. Zij hebben besloten om de betreffende rechtspersoon juridisch te splitsen. In het vooroverleg heeft de inspecteur aangegeven dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting (art. 15.1.h WBRV jo. art. 5c Uitv besl RV) wel geldt voor de overgang van de onroerende zaken op de nieuwe rechtspersoon (ook een onroerendezaaklichaam), maar niet voor de verkrijging van de aandelen in deze nieuwe rechtspersoon. Om overkill te voorkomen, wordt op grond van het beleid van de Staatssecretaris van Financiën alleen overdrachtsbelasting geheven voor zover het materiële belang van X bij de onroerende zaken wordt uitgebreid [zie beleidsbesluit van 25 mei 2018, FBN 2018/29]. X is echter op grond van een grammaticale, wetshistorische en wetssystematische interpretatie van oordeel dat de vrijstelling ook geldt voor de aandelen.