FTV 2008/36 - Wat is de betekenis voor particuliere beleggers als de laagbelaste beleggingsdeelneming gaat verdwijnen?
Aflevering 10, gepubliceerd op 01-10-2008 geschreven door Mr. drs. S.A.W.J. StrikOp 28 augustus 2008 hebben de drie hoogleraren Engelen, Vording en Van Weeghel in het Weekblad Fiscaal Recht voorstellen gedaan om onder meer de deelnemingsvrijstelling te verruimen.F.A. Engelen, H. Vording en S. van Weeghel, “Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat”, WFR 2008, p. 891-906. Dit is zonder meer een revolutionair voorstel te noemen. Zoals bekend is de Nederlandse fiscus sinds jaar en dag ten strijde getrokken tegen het onderbrengen van beleggingen in (laagbelaste) buitenlandse beleggingsmaatschappijen. Met ingang van 1 januari 2007, onder het regime van de Wet werken aan winst, is een effectieve belastingdruk bij de beleggingsdochter naar Nederlandse maatstaven berekend van ten minste 10% voldoende om toch te kunnen kwalificeren voor de deelnemingsvrijstelling. Naar mijn mening heeft dit tot gevolg gehad dat bijna alle passief vermogen uit Nederland is verdwenen (even afgezien van de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) en de fiscale beleggingsinstelling (fbi)). Nu wordt door de drie hoogleraren voorgesteld om de gehele regeling voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen te schrappen. De deelnemingsvrijstelling is alleen dan niet van toepassing als de beleggingsdochter is vrijgesteld van belastingheffing (denk in Nederland aan de vbi (art. 6 Wet VPB 1969) en de fbi (art. 28 Wet VPB 1969)). Omdat bijna al het passief vermogen al uit Nederland is verdwenen (behalve bij vrijgestelde beleggingsinstellingen en fiscale beleggingsinstellingen), zijn de budgettaire gevolgen van dit voorstel naar mijn mening dan ook gering. Op dit moment is vooral sprake van symboolwetgeving. Als dit voorstel wordt overgenomen door de Nederlandse wetgever, zal dat mogelijk ook gevolgen hebben voor de fiscale vormgeving van de beleggingen door particuliere beleggers die beleggen via een personal holding. Een belastingdruk in het buitenland van 1% zou al voldoende zijn om de deelnemingsvrijstelling van toepassing te doen zijn, terwijl de deelnemingsvrijstelling nooit van toepassing is op aandelen in een vrijgestelde belegginginstelling of in een fiscale beleggingsinstelling. Daar komt nog bij dat door gebruik te maken van een buitenlandse beleggingsmaatschappij men niet te maken heeft met de ingewikkelde of beperkende regels met betrekking tot de vbi en de fbi. Er is sprake van een grote mate van flexibiliteit.