JERF 2022/32 - Voortzetting huurovereenkomst na overlijden toegewezen
ECLI:NL:GHAMS:2021:3563, datum uitspraak 16-11-2021, publicatiedatum 29-11-2021
Aflevering 2, gepubliceerd op 14-03-2022 GeĆÆntimeerde was tijdens het leven van X de partner van X en stond sinds 2013 ingeschreven op het adres van de woning die werd gehuurd door X. Na het overlijden van X in 2019 is in geschil of geĆÆntimeerde de huur van de woning mag voortzetten op grond van art. 7:268 lid 1 BW. Het hof oordeelt dat geĆÆntimeerde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zowel aan het vereiste van het hebben van hoofdverblijf voldoet als aan het vereiste dat hij met X een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd en bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg waar de vordering tot medehuurderschap is toegewezen. Hiertoe overweegt het hof dat het zijn van levenspartners op zichzelf al een zwaarwegende aanwijzing vormt (ECLI:NL:PHR:2003:AI0865 en ECLI:NL:PHR:2011:BS8790), alsmede het gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap in 2016. Dat X sedert juli 2015 in het verpleegtehuis was opgenomen, leidt er naar het oordeel van het hof niet toe dat geĆÆntimeerde geen recht heeft op de bescherming van art. 7:268 lid 2 BW.