Baten en lasten voldoende inzichtelijk en controleerbaar vastgelegd
ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0094, datum uitspraak 30-11-2010, publicatiedatum 07-01-2011
Aflevering 2010, gepubliceerd op 31-12-2010 Art. 229b Gemeentewet. Algemene rechtsbeginselen. Willekeurverbod. Toetsing van legestarieven aan de opbrengstlimiet en de algemene rechtsbeginselen. Eiseres heeft op 15 en 16 december 2005 bouwvergunningen voor drie bouwprojecten bij de gemeente Leidschendam-Voorburg aangevraagd. Verweerder heeft van eiseres voor het in behandeling nemen van deze aanvragen leges gevorderd. In geschil is of de gevorderde bedragen moeten worden vernietigd. De rechtbank overweegt: Art. 229b Gemeentewet stelt aan verordeningen als de onderhavige de eis dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (hierna: de opbrengstlimiet). Voor beperking van de toetsing aan de opbrengstlimiet tot de legestarieven die in een bepaald hoofdstuk of een bepaalde regel van de Tarieventabel zijn opgenomen, is geen steun te vinden in genoemd art. 229b, noch in enige ander wettelijke bepaling. Dat dit laatste na de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010 (mogelijk) anders is, is voor de beoordeling van dit niet van betekenis omdat de legestarieven voor het jaar 2005 niet aan de (ruimschoots) na afloop van het jaar 2005 in werking getreden Wabo behoeven te voldoen. Bij de beantwoording van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, neemt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, 07/12961, LJN:BI1968, tot leidraad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder inzicht in de geraamde baten en “lasten terzake” verschaft door de overlegging van een op de primitieve begroting van de gemeente voor het jaar 2005 gebaseerd overzicht van de gemeentelijke uitgaven en inkomsten ter zake van de in de Verordening genoemde diensten (hierna: het overzicht). Volgens het overzicht zijn de begrote uitgaven ter zake van de in de Verordening genoemde diensten belangrijk hoger dan de ter zake van deze diensten begrote inkomsten en overtreffen ook voor de “beschikkingen bouwen” de begrote uitgaven en de begrote inkomsten ruimschoots. Kennelijk is eiseres de opvatting toegedaan dat indirecte kosten niet door middel van legesheffing in rekening kunnen worden gebracht aan degenen die het genot van de verleende diensten hebben. Deze opvatting vindt geen steun in de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt dat alle (directe of indirecte) kosten die meer dan zijdelings verband houden met de diensten ter zake waarvan leges worden geheven, in de ramingen van de “lasten ter zake” kunnen worden betrokken. Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat kostenposten slechts dan niet (geheel of ten dele) als door middel van legesheffing te verhalen kosten kunnen worden aangemerkt, indien zij geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor 90% of meer, andere doeleinden dienen. Gelet op het een en ander dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over de indirecte kosten van de in de legesheffing betrokken diensten te verstrekken die – indien mogelijk – buiten twijfel stellen dat de door eiseres genoemde indirecte kosten voor 10% of meer worden gemaakt ten behoeve van de verlening van met leges belaste diensten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overzicht en de daarop door hem gegeven toelichting deze nadere inlichtingen verstrekt. Voorzover eiseres stelt dat de in de door verweerder verstrekt informatie begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn draagt zij de bewijslast van deze telling. Hierin slaagt eiseres niet. . Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiseres ter weerlegging van het overzicht en Anders dan eiseres kennelijk meent is de wijze waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten ter zake van de diensten niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen. Dat in het overzicht een aantal hoofdstukken van de Tarieventabel buiten beschouwing is gelaten, brengt niet mee dat verweerder in onvoldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van baten en lasten ter zake van de diensten, noch dat de geraamde baten de geraamde lasten terzake hebben overschreden. De rechtbank onderschrijft de stelling van eiseres dat de gemeente , om de toetsing van haar legesheffing aan de algemene rechtsbeginselen – waartoe de rechtbank ook het willekeurverbod van rekent – mogelijk te maken, op controleerbare wijze dient vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in de Verordening beoogt te dekken. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar stelling dat een dergelijke vastlegging ontbreekt. De door de rechtbank gewogen en afdoende bevonden vastlegging van de wijze waarop en de mate waarin de gemeente de geraamde kosten van de in de Tarieventabel opgenomen diensten door legesheffing beoogt te dekken, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen steun aan de stelling van eiseres dat de legestarieven in strijd zijn met de algemene rechtbeginselen, waaronder het willekeurverbod. Ook de overigens door eiseres aangevoerde feiten kunnen deze stelling niet dragen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) bij de vaststelling van (de hoogte en de differentiatie) van de legestarieven een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De raad is deze ruime beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan. Volgt ongegrondverklaring.