Rechtbank neemt berekening bouwkosten door het Nederlands Bouwkosten Instituut als grondslag voor bouwleges
ECLI:NL:RBALM:2011:BP8384, datum uitspraak 16-03-2011, publicatiedatum 21-03-2011
Aflevering 2011, gepubliceerd op 31-12-2011 Er is geen sprake van een onredelijke of willekeurige belastingheffing. Voorts kan het beroep op de hardheidsclausule (artikel 63 Awr) eiseres niet baten. Het college van B&W is niet een partij, die is betrokken bij dit geschil, en verder is ook geen besluit als bedoeld in artikel 63 Awr in het geschil, zodat de rechtbank zich daarover niet kan uitlaten. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van beleid. Tot slot is de hoogte van de bouwkosten in geschil. Eiseres heeft de in de bouwaanvraag opgegeven bouwsom van € 2.522.400,-- niet onderbouwd. Niet is derhalve voldaan aan de definitie van bouwkosten als opgenomen onder 5.1 van de Tarieventabel. Verweerder was derhalve bevoegd de bouwkosten te ramen overeenkomstig 5.1 van de Tarieventabel. Verweerder heeft de bouwkosten gebaseerd op de Correctierichtlijn. De bouwkosten zijn geraamd op een bedrag van € 6.102.675,75. De bouwkosten zijn vervolgens nagerekend en kwamen, in verband met andere afmetingen, uit op een hoger bedrag, te weten een bedrag van € 7.088.129,37. Verweerder heeft vervolgens het lagere bedrag als bouwkosten aangehouden. Verweerder acht dit reeel aangezien de te bouwen stal veel groter is dan de stallen waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de raming in overeenstemming met de definitie van bouwkosten zoals die door verweerder wordt gehanteerd. Eiseres is vervolgens, naar aanleiding van haar stellingen ter zitting, in de gelegenheid gesteld de hoogte van de bouwkosten te bestrijden. Hiertoe heeft zij verweerder een berekening van de bouwkosten toegezonden, waarin het bedrag aan bouwkosten is geraamd op € 2.958.260,--, alsmede een offerte van een aannemingsbedrijf, waarin een bedrag aan bouwkosten van € 3.076.232,71 staat opgenomen. Deze stukken heeft verweerder voorgelegd aan het Nederlands Bouwkosten Instituut (NBI). Deze heeft een raming opgesteld, welke raming uitkomt op een bedrag van € 5.601.204,--. Tevens heeft het NBI een aantal op- en aanmerkingen gemaakt over de door eiseres overgelegde offerte van het aannemingsbedrijf. De rechtbank overweegt dat met de offerte van het aannemingsbedrijf geen sprake is van een aannemingssom als bedoeld in 5.1 van de Tarieventabel en evenmin van een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, zoals is genoemd in 5.1 van de Tarieventabel. De rechtbank betrekt daarbij de op- en aanmerkingen van het NBI over de offerte. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres ook in de beroepsfase niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een (lagere) aannemingssom en/of (lagere) raming van de bouwkosten. Verweerder heeft vervolgens nog bekeken of het verschil tussen de door het NBI gegeven raming van de bouwkosten en de bouwkosten waar verweerder van uit gaat, welke bouwkosten hoger zijn, aanleiding geeft om de legesberekening alsnog te herzien, maar ziet daartoe geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechttbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van de door hem op grond van de Correctierichtlijn geraamde bouwkosten. De rechtbank neemt daarbij eerst hetgeen verweerder eerder heeft overwogen aangaande de totstandkoming van de bouwkosten op basis van de Correctierichtlijn in aanmerking. Hieruit volgt dat in het geval als waarvan hier sprake is, de bouw van een stal van een relatief zeer grote omvang ten opzichte van de omvang van regionaal gebruikelijke vleesvarkensstallen waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd, deze Correctierichtlijn slechts kan worden beschouwd als een (ruwe) benadering van de bouwkosten. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zelf het NBI heeft benaderd om de bouwkosten te ramen en het NBI, een deskundige op het gebied van bouwkosten, vervolgens uitkomt op een lager bedrag dan waar verweerder van uit gaat. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bouwkosten ten onrechte heeft vastgesteld en gehandhaafd op een bedrag van € 6.102.675,75 en op grondslag daarvan de leges heeft berekend. De uitspraak op bezwaar komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu zowel eiseres als verweerder de door hen gestelde bouwkosten niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt de rechtbank in goede justitie de bouwkosten vast op € 5.601.204,--, het bedrag zoals dat door het NBI is berekend, en wordt de aanslag leges herroepen en nader vastgesteld op een bedrag van € 50.410,84.