NTFR 2020/614 - Onbeperkte navorderingstermijn voor gevallen waarin partners geen onderlinge verdeling hebben gekozen (art. 81.1 Wet RO)
ECLI:NL:HR:2020:332, datum uitspraak 28-02-2020, publicatiedatum 28-02-2020
Aflevering 10, gepubliceerd op 05-03-2020 Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 2014 een inkeermelding gedaan waarin wordt gemeld dat zij beschikken over een buitenlandse bankrekening die nimmer in de aangiften IB/PVV is vermeld. De inspecteur heeft vervolgens diverse navorderingsaanslagen aan de echtgenoot opgelegd, waarbij het verzwegen inkomen uit sparen en beleggen voor 100% aan de echtgenoot is toegerekend. De echtgenoot heeft zich op het standpunt gesteld dat art. 2.17 Wet IB 2001 niet juist is toegepast omdat het volledige verzwegen vermogen ten onrechte aan hem is toegerekend. Vervolgens heeft de inspecteur ter behoud van rechten navorderingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd, waarbij de helft van het verzwegen vermogen aan haar is toegerekend. Volgens Hof Den Bosch (NTFR 2019/1372) mag de inspecteur zonder nieuw feit navorderen in gevallen waarin fiscale partners geen onderlinge verdeling hebben gekozen. De uitleg die belanghebbende voorstaat, erop neerkomend dat het nieuwe feit alleen dan niet is vereist indien de onderlinge verdeling niet optelt tot 100%, vindt geen steun in de wettekst noch in de wetsgeschiedenis. Voorts heeft het hof uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat in dit geval de onbeperkte navorderingstermijn van art. 16, lid 3, vierde volzin, AWR geldt. Volgens het hof moet art. 2.17, lid 4, Wet IB 2001 worden geacht alle gevallen te omvatten waarin de aanvankelijk tot stand gekomen onderlinge verhouding wordt gewijzigd, ongeacht of er aanvankelijk een (volledige of onvolledige) keuze door de partners is uitgebracht. In dergelijke gevallen kan derhalve gezien art. 16, lid 3, AWR navordering zonder beperking in de tijd plaatsvinden.