NTFR 2020/1761 - Hoorplicht bezwaarfase geschonden ondanks geclausuleerd verzoek om te horen
ECLI:NL:HR:2020:1011, datum uitspraak 05-06-2020, publicatiedatum 05-06-2020
Aflevering 24, gepubliceerd op 11-06-2020 met annotatie van mr. N. KolsteBelanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boete. De inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hem te laten weten of zij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. In reactie daarop schrijft belanghebbende dat zij zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt om, na ontvangst van de opgevraagde onderliggende stukken, voor zover noodzakelijk gehoord te worden. Volgens Hof Amsterdam heeft belanghebbende niet een expliciet verzoek gedaan om te worden gehoord, zodat de hoorplicht niet is geschonden. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak. Door de manier waarop in art. 7:4, lid 2, Awb het recht op inzage in de stukken is gekoppeld aan het horen, moet de mededeling van belanghebbende worden opgevat als een verklaring dat zij gebruik wil maken van haar hoorrecht. Daaraan doet niet af dat belanghebbende haar verzoek heeft geclausuleerd met de woorden ‘voor zover noodzakelijk’. Aan de schending van de hoorplicht kan op grond van art. 6:22 Awb worden voorbijgegaan als de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Dat is hier niet het geval, nu partijen van mening verschilden over de van belang zijnde feiten. De Hoge Raad doet de zaak zelf af door de uitspraak op bezwaar te vernietigen wegens schending van de hoorplicht en te bepalen dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven.