NTFR 2020/2940 - Inspecteur begaat ambtelijk verzuim door bij aanslagregeling geen rekening te houden met boekenonderzoek bij echtgenoot inzake tbs-regeling
ECLI:NL:HR:2020:1602, datum uitspraak 09-10-2020, publicatiedatum 09-10-2020
Aflevering 43, gepubliceerd op 22-10-2020 met annotatie van mr. N. ten BroekBelanghebbende is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Haar echtgenoot heeft in 2012 een pand aangekocht en met winst doorverkocht. In juni 2014 heeft de inspecteur bij de echtgenoot naar aanleiding van diens aangifte IB/PVV 2012 een boekenonderzoek ingesteld dat was gericht op de transacties met betrekking tot het pand. Op 2 september 2014 is bij een bespreking de echtgenoot door de controleambtenaren voorgehouden dat bedoelde transacties leiden tot IB-heffing op grond van hetzij art. 3.91, hetzij art. 3.92 Wet IB 2001. Op 17 november 2015 is een conceptrapport opgemaakt. De inspecteur heeft op basis hiervan de aanslag IB/PVV 2012 van de echtgenoot vastgesteld. De inspecteur heeft op 26 november 2015 aan belanghebbende, conform de aangifte, de aanslag IB/PVV 2012 geautomatiseerd opgelegd. Hierin is niets opgenomen met betrekking tot het pand of een tbs-resultaat. Na een beroepsprocedure bij de rechtbank van de echtgenoot, waarin is beslist dat sprake is van een tbs-resultaat waarvan de helft bij de echtgenoot in aanmerking moet worden genomen, heeft de inspecteur op 23 september 2017 de andere helft van belanghebbende nagevorderd. Volgens het hof is dat terecht. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake, aldus het hof. In cassatie houdt deze hofuitspraak echter geen stand. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en een tbs-vermogensbestanddeel tot die gemeenschap behoort, wordt bij toepassing van de tbs-regeling dat vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. Indien de inspecteur naar aanleiding van een bij de belastingplichtige ingesteld (boeken)onderzoek het standpunt inneemt dat de tbs-regeling moet worden toegepast en hij weet of redelijkerwijs moet weten dat die belastingplichtige in het desbetreffende jaar in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, is hij gehouden de vaststelling van de aanslag van de echtgenoot van de belastingplichtige aan te houden. Indien hij dat nalaat, beschikt hij met betrekking tot die terbeschikkingstellingsregeling niet over een nieuw feit ex art. 16 AWR. Die situatie doet zich hier voor. De aanslag van belanghebbende is opgelegd nadat het boekenonderzoek bij de echtgenoot had plaatsgevonden. De inspecteur nam het standpunt in dat toepassing van de tbs-regeling aan de orde zou kunnen komen. De inspecteur wist of had redelijkerwijs moeten weten dat de echtgenoot in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd. Er zijn geen aanknopingspunten voor een gerechtvaardigde veronderstelling bij de inspecteur dat bij de hem voor ogen staande toepassing van art. 3.92 Wet IB 2001 het vierde lid geen rol zou spelen. De inspecteur had daarom bij de aanslagregeling van belanghebbende rekening moeten houden met het (boeken)onderzoek. Door dat niet te doen heeft hij een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat. De navorderingsaanslag moet worden vernietigd.