NTFR 2020/335 - Kosten traplift zijn als specifieke zorgkosten aftrekbaar hoewel er geen Wmo-voorziening is gevraagd
ECLI:NL:HR:2020:167, datum uitspraak 31-01-2020, publicatiedatum 31-01-2020
Aflevering 6, gepubliceerd op 06-02-2020 met annotatie van mr. P.T. van ArnhemBelanghebbende heeft in 2013 een traplift laten aanleggen in zijn woning. De kosten ervan heeft hij als specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft geen verzoek gedaan voor een vergoeding op grond van de Wmo. Hof Arnhem-Leeuwarden (4 december 2018, nrs. 17/00933 t/m 17/00935, NTFR 2019/156) heeft de aftrek toegestaan. Hiertegen heeft de staatssecretaris cassatieberoep aangetekend, echter zonder succes. Uitgangspunt in cassatie is dat de traplift een voorziening is als bedoeld in art. 4 Wmo. Op grond van art. 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 worden uitgaven als bedoeld in art. 6.17, lid 1, Wet IB 2001 niet aangemerkt als krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen. Belanghebbende is ter zake van de traplift geen bijdragen verschuldigd geworden krachtens de Wmo als bedoeld in art. 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001. De tekst van deze bepaling sluit de door belanghebbende verlangde aftrek van de kosten van de traplift dan ook niet uit. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de aftrekbeperking van art. 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 ertoe strekt dat met de draagkracht van degene aan wie een voorziening op grond van de Wmo is verstrekt en die daarvoor een bijdrage is verschuldigd, niet langer rekening wordt gehouden in de inkomstenbelastingsfeer, omdat met die draagkracht al rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de hoogte van die bijdrage. Deze wetsgeschiedenis biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om de in art. 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 vervatte aftrekbeperking ruimer uit te leggen dan uit de tekst voortvloeit.