NTFR 2025/242 - Hoge Raad acht zijn ‘in wezen nieuwbouw’-jurisprudentie Unierechtproof
ECLI:NL:HR:2025:157, datum uitspraak 31-01-2025, publicatiedatum 31-01-2025
Aflevering 6, gepubliceerd op 04-02-2025 met annotatie van prof. mr. dr. R.A. WolfBelanghebbende heeft aandelen verkregen in een OZB-rechtspersoon ex art. 4 lid 1 onderdeel a WBRV. Volgens hof Amsterdam (NTFR 2024/1298) is de samenloopvrijstelling hierop niet van toepassing, omdat het bij die rechtspersoon in bezit gehouden gebouw niet een vervaardigd goed is ex art. 11 lid 3 onderdeel b Wet OB 1968. De verbouwingswerkzaamheden hebben volgens het hof niet geleid tot in wezen een nieuw gebouw, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad over het criterium ‘in wezen nieuwbouw’. In cassatie stelt belanghebbende, onder verwijzing naar jurisprudentie van het HvJ, dat de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit vlak niet juist is. De Hoge Raad is het daar niet mee eens. De Hoge Raad acht het buiten redelijke twijfel dat zijn uitleg van art. 11 lid 3 onderdeel b Wet OB 1968 in overeenstemming is met de mogelijkheid die de BTW-richtlijn aan de lidstaten biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen, te meer daar met deze uitleg van art. 11 lid 3 onderdeel b Wet OB 1968 de in punt 26 van het arrest Promo (HvJ 9 maart 2023, C-239/22) bedoelde draagwijdte van het begrip verbouwing, zoals omlijnd door het HvJ, in acht wordt genomen.