REP 2016/246 - Sign. - Kinderalimentatie: rechtsverwerking en toch weer herleven (Rechtbank Noord-Holland 6 april 2016, C/15/23 0194 / FA RK 15-4631, niet gepubliceerd)
Aflevering 4, gepubliceerd op 30-06-2016 Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2002 dochter D geboren. M heeft D erkend. V oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over D, die haar hoofdverblijfplaats bij V heeft. Nog vóór de geboorte van D verbreken partijen hun relatie. Zij komen schriftelijk overeen dat M met ingang van 1 oktober 2002 aan V maandelijks € 200 aan kinderalimentatie zal voldoen. M houdt zich aan deze afspraak, totdat hij op 27 december 2002 een brief van V krijgt, waarin staat: ‘Hierbij laat ik je weten je te ontheffen van je alimentatieplicht. Wat mij betreft kun je de betalingen ten behoeve van [D] stopzetten. (...) Ik heb er geen zin in mijn hand bij je op te houden (...) Vanaf nu ben je dus helemaal vrij van welke verplichting dan ook.’ Vanaf dat moment stopt M met betalen. V verzoekt de rechtbank (1) te bepalen dat M aan haar een kinderalimentatie van € 620 per maand met ingang van 1 augustus 2014, dan wel een kinderalimentatie van € 254,04 met ingang van 1 januari 2015, dient te betalen, alsmede (2) te bepalen dat M de achterstallige alimentatie tot 1 augustus 2014, zijnde € 31.719,07, dient te voldoen. M beroept zich op rechtsverwerking en verwijst naar de brief van V van 27 december 2002. Nu V gedurende de daarop volgende 12 jaar geen enkele poging heeft ondernomen om een bijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud van D te verkrijgen dan wel te innen, kan zij niet meer met recht claimen dat hij met terugwerkende kracht kinderalimentatie moet voldoen. V betwist dat zij afstand heeft gedaan van een kinderalimentatie ten behoeve van D en beroept zich in dit verband uitdrukkelijk op artikel 1:400 lid 2 BW, waarin is bepaald dat overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien nietig zijn. De brief van V waar M naar verwijst, is geschreven in emotie, aldus V.