REP 2016/524 - Sign. - Biologische vader ontvankelijk in omgangsverzoek op grond van artikel 8 EVRM (Gerechtshof Den Haag 31 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2807)
Aflevering 8, gepubliceerd op 16-12-2016 M en V zijn met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk (de nu nog minderjarige) zoon Z wordt geboren. M heeft Z erkend. Begin 2016 volgt uit een DNA-test dat X de verwekker van Z is. X verzoekt om een omgangsregeling met Z. X stelt dat hij altijd omgang met Z heeft willen hebben, zodat wat hem betreft sprake is van intended family life. Volgens X is door toedoen van V de omgang echter nooit tot stand gekomen. X acht het van belang dat Z te weten komt wie zijn biologische vader is. X respecteert het gezinsleven van V, maar wil Z af en toe zien. X erkent dat hij geen bewijs heeft dat hij tot op heden betrokkenheid bij Z heeft getoond, maar acht het van belang zijn zoon te leren kennen. V betwist dat sprake is van intended family life. X heeft tijdens de zwangerschap, na de bevalling en de jaren daarna geen enkele interesse in Z getoond. Zijn enige interesse betreft de vraag of hij de verwekker van Z is. Voor het geval het hof tot de conclusie komt dat wel sprake is van intended family life, verzoekt V het hof een belangenafweging te maken. V staat te zijner tijd wel open voor statusvoorlichting, maar Z heeft nu een stabiele omgeving, een wettige vader en een halfzus en -broer. De grootouders weten niet dat M niet de biologische vader van Z is. Z is nu ook nog niet gediend bij contactmomenten, omdat daaraan voorafgaand eerst statusvoorlichting plaats zou moeten vinden.