TAP 2009, afl. 6 - Sign. - Twee B.V.’s dienen in het kader van het Ontslagbesluit – de toepassing van het afspiegelingsbeginsel – te worden gezien als één bedrijfsvestiging. Geen sprake van twee, in organisatorisch verband apart opererende, zelfstandige eenheden.
Aflevering 6, gepubliceerd op 01-10-2009 De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer – werkzaam in een salesfunctie – wegens bedrijfseconomische omstandigheden en de werknemer betoogt op zijn beurt dat de werkgever bij de reorganisatie het afspiegelingsbeginsel op onjuiste wijze heeft toegepast. In casu had de werkgever zijn salesactiviteiten in twee verschillende B.V.’s ondergebracht. De salesactiviteiten voor de Benelux waren voorts in weer een andere afdeling ondergebracht. De werkgever had het afspiegelingsbeginsel toegepast op de in beide B.V.’s ondergebrachte salesafdelingen, maar niet op de afdeling sales Benelux omdat die afdeling al in 2008 was gereorganiseerd. De kantonrechter overweegt in deze uitspraak dat, hoewel sprake is van twee B.V.’s, deze in het kader van het Ontslagbesluit moeten worden beschouwd als één bedrijfsvestiging, nu de splitsing zich beperkt tot de salesactiviteiten en de andere – niet-sales – afdelingen zijn gecentraliseerd. Van twee, in organisatorisch verband apart opererende, zelfstandige eenheden is dan ook geen sprake. Gelet op het afspiegelingsbeginsel dienen daarom bij de vaststelling van de voor ontslag in aanmerking komende werknemer naar het oordeel van de kantonrechter de salesfuncties van beide B.V.’s te worden betrokken. Als gevolg hiervan kon de werkgever op de door haar genoemde gronden, een bij de andere B.V. in dienst zijnde werknemer – en dus niet de werknemer – herplaatsen op de nieuw ontstane functie. De kantonrechter neemt echter aan dat ook de afdeling sales Benelux tot de bedrijfsvestiging behoort en oordeelt dat de werkgever ten onrechte niet tevens heeft afgespiegeld over deze afdeling. Gelet op het afspiegelingsbeginsel doet de stelling van de werkgever dat deze afdeling al in 2008 zou zijn gereorganiseerd daar niet aan af. De kantonrechter overweegt dat de werkgever toen al had moeten voorzien dat op korte termijn meerdere functies zouden komen te vervallen. Door kort na elkaar meerdere reorganisaties door te voeren, op verschillende afdelingen, hield de werkgever geen rekening met de beleidsregels van de CWI omtrent de uitwisselbaarheid van functies, waardoor het afspiegelingsbeginsel werd genegeerd en een onjuist herplaatsingsbeleid werd gevoerd. De kantonrechter oordeelt op deze grond dat de werkgever het afspiegelingsbeginsel op onjuiste wijze heeft gehanteerd en onvoldoende is gebleken dat er geen andere passende functie voor de werknemer bij de bedrijfsvestiging van de werkgever voor handen is. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. Consultant die ook werknemers detacheert bij opdrachtgevers is geen uitzendwerkgever in de zin van Bijlage B Ontslagbesluit, omdat deze bijlage ziet op ‘traditionele’ uitzendwerkgevers. Werkgever en ondernemingsraad kwamen sociaal plan overeen, waarin mogelijkheid van afwijking van afspiegelingsbeginsel in individuele gevallen werd toegestaan. Afwijzing ontbindingsverzoek omdat werkgever categorisch afweek van afspiegelingsbeginsel. Ktr. Utrect 22 juli 2009, LJN: BJ3328.De werkgever is een projectconsultancybureau dat opdrachtgevers adviseert en begeleidt bij de aansturing van interne en externe ict-adviseurs. Daarbij stelt de werkgever werknemers op detacheringsbasis te werk bij opdrachtgevers. Vanwege teruglopende bedrijfsresultaten besloot heeft de werkgever besloten tot een reorganisatie. In deze procedure verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een niet bij een opdrachtgever gedetacheerde werknemer. De werkgever stelt daarbij gebruik te hebben gemaakt van de mogelijkheid om bij de selectie van de voor ontslag voor te dragen werknemers rekening te houden met het feit of zij bij een derde tewerkgesteld waren of dat op korte termijn zouden kunnen worden. Zij heeft binnen de groep consultants die niet gedetacheerd waren (of dat binnen afzienbare termijn konden worden) geselecteerd, en heeft binnen die groep het afspiegelingsbeginsel toegepast. De werkgever stelt dat haar ondernemingsraad hiermee heeft ingestemd. De werkgever stelt dat zij (analoog) een beroep kan doen op Bijlage B van het Ontslagbesluit, waarin een afwijkende regeling voor uitzendbedrijven is neergelegd met betrekking tot de toepassing van het afspiegelingsbeginsel. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet is aan te merken als uitzendorganisatie in de zin van Bijlage B van het Ontslagbesluit, omdat deze bijlage ziet op ‘traditionele’ uitzendwerkgevers. Hij verwijst daarbij naar de gronden voor de wijziging van Bijlage B van het Ontslagbesluit per 13 maart 2003 naar aanleiding van de uitspraak van het Hof Den Haag in de CMG-zaak (29 november 2007, «JAR» 2002/293). Vervolgens overweegt de kantonrechter dat de werkgever onvoldoende heeft gemotiveerd dat toepassing van het afspiegelingsbeginsel tot onoverkomelijke problemen zou leiden. Zij heeft daartoe immers volstaan met te stellen dat opdrachtgevers werknemers bij haar ‘inhuren’ op basis van hun c.v. en na een (sollicitatie) gesprek, en dat hun opdrachtgevers de opdracht zullen intrekken wanneer bij een andere werknemer wordt gedetacheerd. Dit acht de kantonrechter niet zonder meer aannemelijk. Dit zou bijvoorbeeld meebrengen dat de werkgever een opdracht ook zou kwijtraken als een werknemer arbeidsongeschikt zou worden. De werkgever heeft niet gesteld dat de praktijk uitwijst dat dit inderdaad het geval is. Bovendien volgt uit de afvloeiingsregeling van de werkgever waarmee de ondernemingsraad akkoord ging, dat de werkgever slechts van het afspiegelingsbeginsel zal afwijken als vervanging van de bij een opdrachtgever gedetacheerde werknemer in redelijkheid niet kan worden gevergd. Er is echter geen sprake geweest van enige individuele afweging, nu uit wat de werkgever naar voren brengt volgt dat zij categorisch van het afspiegelingsbeginsel is afgeweken. Een en ander klemt volgens de kantonrechter temeer nu de (niet bij een opdrachtgever gedetacheerde) werknemer van wiens arbeidsovereenkomst de werkgever in deze procedure ontbinding vordert, bijna 5 jaar in dienst is, terwijl uit het personeelsoverzicht blijkt dat met betrekking tot 8 werknemers uit dezelfde leeftijdscategorie en met een beduidend korter dienstverband de arbeidsovereenkomst niet wordt beëindigd. (Ktr. Bergen op Zoom 22 juli 2009, LJN: BJ3353)