TAP 2009, afl. 7 - Sign. - Indien in concernverband het voornemen tot collectief ontslag van werknemers van de dochtermaatschappij afkomstig is van de moedermaatschappij, dient de dochtermaatschappij als werkgever de raadplegingsprocedure te voeren
Aflevering 7, gepubliceerd op 01-11-2009 Indien in concernverband het voornemen tot collectief ontslag van werknemers van de dochtermaatschappij afkomstig is van de moedermaatschappij, dient de dochtermaatschappij als werkgever de raadplegingsprocedure te voeren en kan pas na afsluiting van deze raadplegingsprocedure door de dochtermaatschappij worden overgegaan tot collectief ontslag In zijn arrest van 10 september 2009 beantwoordde het HvJ een zestal prejudiciële vragen van de Finse rechter over de toepassing van Richtlijn 98/59/EEG van 20 juli 1998 (daarvoor Richtlijn 75/129/EEG van 17 februari 1975, gewijzigd bij Richtlijn 92/56/EEG van 24 juni 1992) betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag. In Nederland is deze richtlijn geïmplementeerd in de Wet melding collectief ontslag en in Finland in de Wet betreffende de samenwerking binnen ondernemingen (samenwerkingswet). In de zaak die de aanleiding vormde voor de door het HvJ beantwoorde prejudiciële vragen ging het om het volgende. In 1999 hadden Fujitsu Ltd. en Siemens AG bepaalde commerciële activiteiten op informaticagebied ondergebracht in een joint venture onder de naam Fujitsu Siemens Computers. Deze joint venture had productievestigingen in Finland (Espoo/Kilo), ondergebracht in Fujitsu Siemens Computers Oy (FSC), en in Duitsland (Augsburg, Paderborn en Sömmerda), Fujitsu Siemens Computers GmbH. FSC en Fujitsu Siemens Computers GmbH werden onder een in Nederland gevestigde moedermaatschappij gehangen, Fujitsu Siemens Computers (Holding) B.V. (FSC Holding). Op 7 december 1999 besloot het directiecomité van FSC Holding aan de raad van bestuur van FSC Holding voor te stellen de productievestiging in Finland te sluiten. Op 14 december 1999 besloot de raad van bestuur van FSC Holding dit voorstel te volgen, zonder echter over genoemde productievestiging een concrete beslissing te nemen. Op diezelfde datum stelde de raad van bestuur van FSC, die grotendeels bestond uit de directeuren van het concern en werd voorgezeten door de plaatsvervangende voorzitter van de raad van bestuur van FSC Holding, een raadpleging voor. Die raadpleging vond plaats tussen 20 december 1999 en 31 januari 2000. Op 1 februari 2000 besloot de raad van bestuur van FSC de activiteiten van FSC met uitzondering van de verkoop van computers in Finland te beëindigen. Vanaf 8 februari 2000 ontsloeg FSC circa 450 van de 490 door haar tewerkgestelde werknemers. Namens enkele ontslagen werknemers stelden de vakbonden zich op het standpunt dat FSC met de beslissingen van eind 1999 en begin 2000 inzake de sluiting van de productievestiging te Espoo/Kilo de samenwerkingswet had geschonden. De vakbonden stelden zich tegenover de Finse rechter op het standpunt dat ‘in het kader van de raad van bestuur van’ FSC Holding in feite ten laatste op 14 december 1999 een definitieve beslissing was genomen om de productievestiging op te laten houden te bestaan als deel van het concern. Nu volgens de vakbonden de eigenlijke beslissing was genomen op 14 december 1999, was dit gebeurd voordat de door de samenwerkingswet voorgeschreven raadpleging van het personeel had plaatsgevonden en had FSC volgens de vakbonden deze wet opzettelijk of uit grove nalatigheid geschonden. FSC stelde enerzijds dat tijdens de vergadering van de raad van bestuur van FSC Holding van 14 december 1999 geen enkele beslissing inzake de productievestiging was genomen, en anderzijds dat er nog potentiële alternatieven bestonden, zoals de voortzetting van de activiteit, als zodanig of beperkt, de verkoop hiervan of haar voortzetting in samenwerking met een andere onderneming. Anderzijds betoogde FSC dat het begrip ‘beslissing van de werkgever’ in de zin van de samenwerkingswet het optreden van het bevoegde orgaan van de betrokken vennootschap impliceert – de raad van bestuur van FSC dus – en dat de beslissing inzake de sluiting van de productievestiging door de raad van bestuur van FSC was genomen op 1 februari 2000, dus na het afsluiten van de raadpleging. Om dit laatste argument draait het in deze zaak. De Finse rechter overwoog (in hoger beroep) dat de in de samenwerkingswet bedoelde definitieve beslissing alleen door de werkgever, dat wil zeggen door FSC had kunnen worden genomen en dat de door FSC Holding voorgestelde plannen niet binnen de werkingssfeer van de in genoemde wet bedoelde raadplegingsverplichting vielen. Het hoogste gerechtshof (Korkein oikeus), waarbij de vakbonden na de afwijzing van hun vorderingen in hoger beroep een hogere voorziening hadden ingesteld, overwoog echter dat richtlijn 98/59 en de samenwerkingswet qua opzet en inhoud uiteenlopen en dat de band tussen beide derhalve niet in alle opzichten duidelijk is. Vervolgens formuleerde de Finse rechter een zestal prejudiciële vragen over de wijze waarop richtlijn 98/59/EG dient worden uitgelegd. De derde tot en met de zesde vraag zien op de toepassing van de richtlijn in concernverband. De derde en vierde prejudiciële vraag komen er in het kort op neer of de richtlijn zo dient te worden uitgelegd, dat in het geval van een concern dat bestaat uit een moedervennootschap en een of meer dochtervennootschappen, de verplichting tot raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers ontstaat wanneer hetzij de werkgever hetzij de moedervennootschap die zeggenschap over hem uitoefent, overweegt tot collectief ontslag over te gaan, en anderzijds of voor het ontstaan van de verplichting om met raadpleging te beginnen, vereist is dat de dochtervennootschap waarbinnen collectief ontslag kan plaatsvinden, is geïdentificeerd. Het HvJ antwoordt dat de richtlijn zo dient te worden uitgelegd dat in het geval van een concern dat bestaat uit een moedervennootschap en een of meer dochtervennootschappen, de verplichting tot raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers, voor de dochtervennootschap die de hoedanigheid van werkgever heeft, pas ontstaat wanneer deze dochtervennootschap waarbinnen het collectieve ontslag kan plaatsvinden, is geïdentificeerd. In de vijfde en de zesde vraag vraagt de Finse rechter het HvJ wanneer de raadplegingsprocedure dient te zijn afgesloten ingeval binnen een concern de beslissing die eventueel of noodzakelijk leidt tot het collectieve ontslag van werknemers van de dochtermaatschappij, op het niveau van de moedervennootschap wordt genomen. Het HvJ overweegt dan eerst dat in concernverband een beslissing van de moedervennootschap, die tot rechtstreeks gevolg heeft dat een van haar dochtervennootschappen wordt gedwongen de overeenkomsten van de door het collectieve ontslag getroffen werknemers op te zeggen, pas kan worden genomen na afloop van de raadplegingsprocedure door deze dochtervennootschap en (alleen) deze dochtermaatschappij, als werkgever, instaat voor de gevolgen van de niet-inachtneming van deze procedure. Dat het HvJ hiermee niet bedoelt dat de dochtervennootschap de raadplegingsprocedure dient af te ronden voordat de moedermaatschappij een beslissing kan nemen, blijkt uit de laatste overweging van het arrest. In deze overweging antwoordt het HvJ dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een concern de raadplegingsprocedure door de dochtervennootschap waarop het collectieve ontslag betrekking heeft, moet worden afgesloten alvorens die dochtervennootschap, in voorkomend geval op rechtstreekse instructie van haar moedervennootschap, de overeenkomsten van de door dat ontslag geraakte werknemers opzegt. (HvJ EG 10 september 2009, zaak C 44/08, AEK ry e.a./Fujitsu Siemens Computers)