TAP 2010, afl. 5 - Sign. - Ongeschiktheidsontslag van ambtenaar. Verwijtbaar werkloos?
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-07-2010 In zijn uitspraken van 18 februari 2009 heef de CRvB de belangrijkste lijnen uiteengezet voor de beoordeling of sprake is van verwijtbare werkloosheid als gevolg van een door de werknemer veroorzaakte dringende reden, ofwel verwijtbaarheid op de zogenoemde a-grond van art. 24 lid 1 WW. In oktober 2009 heeft de CRvB hierop enkele verfijningen aangebracht. De onderhavige zaak gaat over verwijtbaarheid op de herziene a-grond in een ambtenaarrechtelijke context. De betrokken ambtenaar, een aspirant met een tijdelijke aanstelling bij een politiekorps, werd ontslagen op grond van art. 89 lid 1 Besluit algemene rechtspositie politie (BARP), te weten eervol ontslag wegens het niet voldoen aan de gestelde kwalificatie-eisen. Het UWV kende de ontslagen ambtenaar een WW-uitkering toe. Werkgever, de korpsbeheerder, was het hier niet mee eens en maakte gebruik van de mogelijkheid om als eigenrisicodrager voor de WW, bezwaar te maken tegen toekenning van de WW-uitkering. De korpsbeheerder voerde aan dat er sprake is van een verwijtbare arbeidsrechtelijke dringende reden omdat de ambtenaar zich (ernstig) heeft misdragen. Er is hiervoor enkel geen strafontslag verleend om de hieraan verbonden procesrisico’s te vermijden. De Raad verwijst naar de uitspraak van 18 februari 2009 («USZ» 2009/68) en stelt dat ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ter grondslag ligt, een materiële beoordeling dient plaats te vinden. De wijze waarop het dienstverband is beëindigd is niet doorslaggevend. Wel vormt de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer een aanwijzing voor het al dan niet aanwezig zijn van een dringende reden. Elementen die dienen mee te wegen bij de beoordeling of zich een dringende reden voordeed zijn de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. De Raad ziet in de omstandigheid dat de ambtenaar in dienst was van een overheidswerkgever geen aanleiding om een andere maatstaf aan te leggen. Het feit dat de korpsbeheerder er niet voor heeft gekozen om de aspirant strafontslag te verlenen, vormt dus niet meer dan een indicatie dat geen sprake is van een dringende reden. In het gegeven dat de korpsbeheerder heeft afgezien van een oneervol ontslag wegens plichtsverzuim en de ambtenaar eervol heeft ontslagen wegens het niet voldoen aan de kwalificatie-eisen, vormt een aanwijzing dat voor de korpsbeheerder toentertijd geen sprake was van een dringende reden. Verder wijst de Raad erop dat tijdens het onderzoek naar het gedrag van de ambtenaar verklaringen zijn afgelegd waarin andere accenten zijn gelegd ten aanzien van zijn gedrag. Verder zijn bij verschillende gedragingen die hem worden verweten, zoals het maken van seksueel getinte opmerkingen, een leerkracht of coach aanwezig geweest die hier niet op hebben gereageerd. Er is naar het oordeel van de CRvB geen sprake van een zodanige ernstige situatie dat gesproken moet worden van een dringende reden. Lanting raadt overheidswerkgevers in zijn noot bij deze uitspraak aan om ambtenaren, die zich ernstig hebben misdragen, in het kader van een mogelijk (onterechte) aanspraak op WW, bij twijfel over de haalbaarheid van de strafontslag, te kiezen voor de constructie van primair strafontslag en subsidiair bijvoorbeeld een ongeschiktheidsontslag. Als de overheidswerkgever in zo’n geval die mogelijkheid namelijk niet benut, maar vervolgens vanwege een financieel belang in het kader van een WW toch bepleit dat er sprake is van een verwijtbare arbeidsrechtelijke dringende reden, zal die werkgever daarin niet licht kunnen worden gevolgd en mag van hem worden verlangd dat hij aantoont dat er bijzondere omstandigheden zijn waaruit dit onomstotelijk blijkt. Volgens Lanting heeft de CRvB terecht overwogen dat de omstandigheid dat de ambtenaar in dienst is van een overheidswerkgever geen aanleiding is om een andere maatstaf aan te leggen om te toetsen of sprake is van verwijtbaarheid op de a-grond. Het aanleggen van dezelfde maatstaf betekent echter wel dat alle elementen die volgens de civielrechtelijke jurisprudentie bij een dringende reden moeten worden meegewogen ook moeten worden meegewogen bij de vraag of een ambtenaar verwijtbaar werkloos op de a-grond is geworden. De vraag is of dit bij een strafontslag wel plaatsvindt op de wijze zoals dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad, en in het kader van de WW tevens de CRvB, zou moeten gebeuren.