TAP 2011, afl. 2 - Sign. - Instemming beëindiging dienstverband na opleggen loonsanctie is benadelingshandeling. Tijdelijke gehele weigering van WW-uitkering
Aflevering 2, gepubliceerd op 13-05-2011 Deze uitspraak van de Centrale Raad is de eerste gepubliceerde uitspraak over de WW-gevolgen van het tijdens de periode waarover een loonsanctie is opgelegd aan de werkgever, instemmen met beëindiging van een dienstverband door werknemer. Dit is een benadelingshandeling, opgenomen in art. 24 lid 10 WW, welke losstaat van de vraag naar de verwijtbaarheid van de werkloosheid. De casus was als volgt. Werkneemster is in november 2006 uitgevallen voor haar werkzaamheden als secretaresse. Na een gedeeltelijke re-integratie is zij in januari 2008 wederom volledig uitgevallen. De werkneemster heeft in juli 2008 haar werkgever een voorstel gedaan om tot beëindiging van het dienstverband te komen. Partijen zijn het er eind juli 2008 over eens geworden dat het dienstverband beëindigd dient te worden, zij het dat over de voorwaarden nog verder moest worden onderhandeld. Op 14 augustus 2008 heeft UWV aan werkgever een loonsanctie van een jaar (tot 2 november 2009) opgelegd, omdat deze te weinig aan re-integratie had gedaan. Op 11 september 2008 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst getekend, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd. Op 3 maart 2009 vraagt werkneemster een WW-uitkering aan, welke door UWV wordt geweigerd voor de periode van 1 maart 2009 tot 2 november 2009 (einde loonsanctie). Werkneemster heeft aangevoerd dat er voor haar een deugdelijke grond was om in te stemmen met het beëindigingsovereenkomst, omdat voortzetting van het dienstverband van haar niet te vergen was vanwege de starre, ziekmakende houding van de werkgever ten aanzien van haar re-integratie. Er bestond derhalve een acute medische noodzaak voor de beëindiging van haar dienstbetrekking.De Raad oordeelt in navolging van de rechtbank, dat op het moment van het aangaan van de beëindigingsovereenkomst, werkneemster wist of moest weten van de opgelegde loonsanctie. De loonsanctie verplichtte de werkgever om werkneemster in overeenstemming met haar wens en advies van de bedrijfsarts en het re-integratiebureau elders dan op haar oude werkplek te re-integreren. Werkneemster had dan ook op dat moment niet meer mogen verzoeken om beëindiging van de dienstbetrekking per 1 maart 2009. Zij had, bezien vanuit de toepassing van de WW, vanaf dat moment de werkgever ten minste de kans moeten geven om een re-integratieplan op te stellen dat voldeed aan de eisen van het UWV en aan de uitvoering daarvan haar medewerking moeten verlenen. De Raad neemt hierbij verder in aanmerking dat werkneemster in een brief van 14 augustus 2008, dus ruim voor tekenen van de beëindigingsovereenkomst, van UWV erop is gewezen dat voor haar werkgever tot 2 november 2009 een opzegverbod geldt waaraan onder meer is toegevoegd: ‘Ook verwachten wij van u dat u niet zomaar instemt met een beëindiging van uw dienstbetrekking. Als u geen verweer voert tegen ontslag of zelfs instemt, kunt u tot 2 november 2009 geen WIA-uitkering krijgen.' De Raad wijst er voorts op dat werkneemster haar stelling dat voor de beëindiging van het dienstverband een acute medische noodzaak bestond, niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Ten slotte is de Raad niet gebleken van verminderde verwijtbaarheid.Boot merkt in zijn noot bij deze uitspraak op dat de Raad overeenkomstig art. 24 lid 10 WW heeft geoordeeld dat nu een deugdelijke grond voor instemming met beëindiging ontbreekt, een benadelingshandeling is gepleegd. Hij vraagt zich af wanneer er sprake is van een deugdelijke grond. Dat de werkneemster in een onaangename en belastende situatie zat, is voor de Raad onvoldoende. Kennelijk zou er, als er wel een acute medische noodzaak zou zijn geweest, wel voldoende grond zijn geweest. Maar zijn er ook andere deugdelijke gronden? De uitspraak maakt dit niet duidelijk. Verder vraagt Boot zich af wanneer er voor de Centrale Raad ruimte is voor verminderde verwijtbaarheid. Ook dit wordt niet duidelijk uit de uitspraak. Tot slot staat Boot stil bij de beleidsregels UWV bij art. 24 en 27 WW en bij de herstelmelding en de ratio van de loonsanctie. In de beleidsregels wordt als reden voor de bepaling in art. 24 lid 10 WW genoemd dat het zonder dit artikellid voor werkgever en werknemer wel erg aantrekkelijk zou zijn onder één hoedje te spelen en de werking van de loonsanctie te ontlopen door het dienstverband te beëindigen en de werknemer zich beschikbaar te laten stellen voor passend werk. Dit roept de vraag op waar de loonsanctie eigenlijk voor bedoeld is en wat dat voor gevolgen voor de WW zou moeten hebben. De loonsanctie wordt opgelegd aan werkgevers die te weinig hebben gedaan aan de re-integratie van hun ziek geworden werknemer, of die aan bepaalde formaliteiten niet hebben voldaan en wordt vooral opgelegd om een onnodig beroep op de Wet WIA te voorkomen. Bij de aanvraag van een WW-uitkering is het uitgangspunt dat de werknemer arbeidsgeschikt is om werkzaamheden te verrichten. Boot vergelijkt de situatie van de casus met de situatie dat de werknemer zich ondubbelzinnig in het najaar van 2008 hersteld zou hebben gemeld en met de situatie dat de werkneemster helemaal geen WIA-uitkering had aangevraagd en de werkgever het loon gewoon tot 1 maart 2009 had doorbetaald. Boot ziet niet in waarom deze laatste twee situaties vanuit het oogpunt van de WW wezenlijk verschillen met de onderhavige casus. In alle drie de gevallen vraagt een werkneemster - kennelijk beschikbaar voor de arbeidsmarkt - per 1 maart 2009 een WW-uitkering aan, nadat de arbeidsrelatie op initiatief van de werkgever is geëindigd, zonder dat zij een dringende reden heeft veroorzaakt en terwijl de (fictieve) opzegtermijn in acht is genomen. In beide variantsituaties zou een WW-uitkering zijn toegekend. In dat licht vindt Boot het onbevredigend dat in deze zaak geen WW-uitkering wordt toegekend want niet valt in te zien waaruit in deze zaak de benadeling van de WW-fondsen bestaat. Boot realiseert zich dat de wettekst van art. 24 lid 10 WW tot de gegeven uitkomst kan leiden. Het lijkt hem dan ook goed nader stil te staan bij de ratio van die wettekst en na te denken over wellicht een nieuwe invulling van het begrip ‘zonder goede grond', als in lid 10 genoemd. Voor werknemers zal het een les zijn goed stil te staan of in dergelijke situaties een WIA-uitkering wordt aangevraagd.