TAP 2011, afl. 3 - Sign. - Verzoek om een prejudiciële beslissing
Aflevering 3, gepubliceerd op 13-05-2011 Het Bundesarbeitsgericht heeft de navolgende prejudiciële vragen aan het HvJ EU voorgelegd (zaak C-586/10):1. Is het in strijd met clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die als bijlage is gehecht aan richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, wanneer een nationale bepaling als § 14, lid 1, tweede zin, punt 3, van het Teilzeit- und Befristungsgesetz (Duitse wet op deeltijdarbeid en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, TzBfG), volgens welke de omstandigheid dat een werknemer ter vervanging van een andere werknemer in dienst wordt genomen, een objectieve reden is om de duur van een arbeidsovereenkomst herhaaldelijk te beperken, aldus wordt uitgelegd en toegepast dat de objectieve reden ook bestaat wanneer er een permanente behoefte aan vervanging bestaat, hoewel de behoefte aan vervanging ook kan worden opgevangen door de betrokken werknemer voor onbepaalde tijd in dienst te nemen en hem met de betreffende vervanging van een van de regelmatig afwezige werknemers te belasten, maar de werkgever zich het recht voorbehoudt, steeds opnieuw te beslissen hoe hij op de concrete afwezigheid van werknemers reageert?Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:2. Staat clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die als bijlage is gehecht aan richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, in de in vraag 1 beschreven omstandigheden ook in de weg aan de in vraag 1 beschreven uitlegging en toepassing van een nationale bepaling als § 14, lid 1, tweede zin, punt 3, TzBfG, wanneer de nationale wetgever met de in een nationale bepaling als § 21, lid 1, van het Bundeselterngeld- und Elternzeitgesetz (Duitse bondswet op de ouderschapsuitkering en het ouderschapsverlof, BEEG) geregelde objectieve reden inzake vervanging die de beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, in ieder geval ook een doelstelling van sociaal beleid nastreeft doordat werkgevers gemakkelijker bijzonder verlof, bijvoorbeeld om redenen van moederschapsbescherming of opvoeding, kunnen toekennen en werknemers dat verlof gemakkelijker kunnen opnemen?