TAP 2011, afl. 5 - Sign. - Cao-bepaling die bepaalt dat arbeidsovereenkomst piloot van rechtswege eindigt op 60-jarige leeftijd is discriminatoir
Aflevering 5, gepubliceerd op 08-08-2011 Een nationale bepaling, die een automatische beëindiging toestaat van de arbeidsverhouding van piloten van een luchtvaartmaatschappij bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd, en die in een collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld, heeft niet het karakter van ‘nationale wettelijke bepaling' in de zin van art. 2, lid 5, van richtlijn 2000/78 en kan derhalve niet door dit artikel worden gerechtvaardigd. Een dergelijke bepaling kan evenmin worden gebaseerd op art. 4, lid 1, van richtlijn 2000/78, met name niet omdat aan de voorwaarden die vanaf 60-jarige leeftijd aan de uitoefening van het beroep worden gesteld, geen ruimere betekenis kan worden toegeschreven dan uit die voorwaarden voortvloeit. Daarentegen moet de beperking van de uitoefening van het beroep (op grond van internationale regels) tot diegenen die de leeftijdsgrens van 65 jaar nog niet hebben bereikt wél worden beschouwd als uitdrukking en consequentie van een ‘wezenlijk en bepalend beroepsvereiste' in de zin van genoemd artikel. Richtlijn 2000/78, en in het bijzonder art. 6, lid 1, daarvan, verzet zich er dan niet tegen, gelet op de doelstelling van sociale politiek om ruimte te laten voor collectieve onderhandelingen, dat een cao met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel voorziet in automatische beëindiging van de arbeidsverhouding op het tijdstip waarop de werknemer een leeftijd bereikt die onder de leeftijdsgrens ligt die als wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is vastgesteld. In dat geval is het een noodzakelijke voorwaarde dat op datzelfde moment de aanspraak van de werknemer op pensioen ingaat of dat hem, voor de periode die nog overbrugd moet worden voordat zijn pensioen ingaat, een passende overgangsregeling wordt geboden. Het is de taak van de nationale rechter te bepalen of de desbetreffende, bij de cao vastgestelde maatregel evenredig is aan dat doel, zowel met betrekking tot de lengte van de periode van vervroeging van de beëindiging van de arbeidsverhouding, als, indien van toepassing, met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding in het kader van de overgangsregeling. In elk geval verzet richtlijn 2000/78, op grond van het evenredigheidsbeginsel en in het bijzonder tegen de achtergrond van de leeftijdsgrens die voor de uitoefening van het beroep is vastgesteld, zich tegen een bepaling als die welke in de onderhavige procedure wordt bestreden, die het einde van de arbeidsverhouding met vijf jaar vervroegt ten opzichte van de leeftijdsgrens die als uitdrukking van een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste voor piloten van luchtvaartmaatschappijen is vastgesteld.