TAP 2011, afl. 6 - Sign. - Begroting schadevergoeding na kennelijk onredelijk ontslag fysiotherapeute. Benoeming en waardering schadeposten
Aflevering 6, gepubliceerd op 01-10-2011 Werkneemster (54 jaar) is sinds 1989 in dienst van (de rechtsvoorganger van) werkgever. Ingevolge de arbeidsovereenkomst vonden de salarisbetalingen aan werkneemster plaats op basis van voorschotten. Na afloop van een kalenderjaar diende het definitieve salaris te worden berekend aan de hand van een percentage van door werknemer behaalde omzetten. In 2005 is tussen partijen onenigheid ontstaan over de juistheid van de loonbetalingen. De salarisproblematiek heeft geleid tot diverse loonvorderingsprocedures en ziekmeldingen werkneemster. De arbeidsovereenkomst is met toestemming van de CWI per 1 juli 2008 opgezegd wegens een verstoorde arbeidsrelatie, mede gelet op de kleine samenstelling van de onderneming. De kantonrechter heeft aan werkneemster een schadevergoeding van € 55.000 toegekend wegens kennelijk onredelijke opzegging omdat aan werkgever de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie te verwijten viel. Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van de kennelijk onredelijkheid dient met alle omstandigheden van het geval rekening te worden gehouden. De leeftijd van werkneemster (50 jaar ten tijde van het ontslag), de duur van het dienstverband (19,5 jaar), het functioneren van werkneemster dat goed was tot het moment waarop problemen tussen partijen ontstonden, de voornaamste oorzaak van het ontstaan van de verstoorde arbeidsrelatie (het loongeschil) en de verantwoordelijkheid van werkgever om die problematiek op te lossen alsmede het financiële nadeel dat werkneemster heeft gehad van de opzegging in combinatie met haar ten tijde van de opzegging voorzienbare geringe mogelijkheden op de arbeidsmarkt in onderlinge samenhang beschouwd, zijn omstandigheden die maken dat de opzegging kennelijk onredelijk is, mede omdat werkgever geen ontslagvergoeding aan werkneemster heeft verstrekt. Wat de schadevergoeding betreft, oordeelt het hof als volgt. De inkomensschade van werkneemster is mede gezien haar geringe kansen op de arbeidsmarkt ten tijde van het ontslag en mede gelet op haar WW-uitkering van 70% te ramen op 30% van haar salaris bij werkgever en dat gedurende een periode van 2,5 jaar na 1 juli 2008 gezien het rapport Arbeidsmarktpositie en het concurrentiebeding (circa € 18.500 bruto). Voor rekening van werkneemster komt dat zij (deels) heeft afgezien van de WW-uitkering. Wat de overige door werkneemster opgevoerde schadeposten betreft, is het hof van oordeel dat werkneemster deze niet voldoende heeft onderbouwd (waardedaling woning, derving woongenot, inkomstenderving, geen deel CVA-ketenzorg, uitbreiding praktijk, leningen en opnemen spaargeld, concurrentiebeding, kosten bedrijfskundige). Verder komen diverse posten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat geen sprake is van schade ten gevolge van het kennelijk onredelijk ontslag (premies arbeidsongeschiktheidsverzekering, kosten cursussen/symposia, geen werkloosheidsverzekering), dan wel omdat die schade betrekking heeft op omstandigheden die zich na het einde van de dienstbetrekking hebben voorgedaan (waardedaling woning, derving woongenot, uitbreiding praktijk, leningen en opnemen spaargeld, kosten praktijk). Niet duidelijk was immers ten tijde van de opzegging onder meer dat werkneemster niet langer in loondienst werkzaam zou willen zijn. Voor vergoeding van proceskosten in andere gevoerde procedures dan de onderhavige ziet het hof geen reden; over deze kosten is in de andere procedures beslist. De opgevoerde buitengerechtelijke kosten (accountant en bedrijfskundige) horen ook in die procedures thuis. Het hof stelt de totale schadevergoeding vast op € 20.000, waarvan € 1.500 netto wegens gederfde levensvreugde.