TOP 2009, afl. 4 - Sign. - Geen onbehoorlijke taakvervulling bestuurder Blue Tomato
Aflevering 4, gepubliceerd op 01-06-2009 De Hoge Raad heeft de kwestie na het arrest van 30 november 2009 («JOR» 2008/29) verwezen naar het Hof Arnhem. De Hoge Raad overwoog in haar arrest dat een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW met zich meebrengt dat voor het ontzenuwen van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Beroept een bestuurder zich in dat geval op een van buiten komende oorzaak (i) en de curator maakt hem het verwijt dat hij ook heeft nagelaten het intreden van die van buiten komende oorzaak te voorkomen (ii), dan moet de bestuurder ook feiten en omstandigheden stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert (iii). Slaagt de bestuurder daarin, dan moet de curator op grond van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (iv). Het hof stelt bij de beoordeling van (i) voorop dat het er niet om gaat of de onderneming zonder de brand, respectievelijk de weigering van de verzekeraar uitkering te doen, ook zou zijn gefailleerd, maar of de bestuurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brand, respectievelijk de weigering, een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Gelet op de omvang van de schade, de omvang van het bedrijf, de resultaten en de omstandigheid dat het om een betrekkelijk jonge onderneming ging, heeft de bestuurder voldoende aannemelijk gemaakt dat de brand, respectievelijk de weigering, een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Bij de beoordeling ten aanzien van (ii) en (iii) geldt dat zonder nadere toelichting van de curator, die ontbreekt, niet kan worden aangenomen dat de bestuurder er rekening mee diende te houden dat de onderneming niet gedekt zou zijn tegen brandschade. Waar de bestuurder is afgegaan op het advies van een door hem in de arm genomen deskundige en bovendien wel actie heeft ondernomen om de schade te verhalen op de naar het oordeel van die deskundige aansprakelijke partij, kan deze handelwijze niet als een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling worden gekwalificeerd. Gelet op de betwisting van de bestuurder was het aan de curator om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit blijkt dat het feit dat de bestuurder niet heeft voldaan aan zijn boekhoud- en publicatieplicht een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Daarin is de curator niet geslaagd. Borrius noemt het arrest van het hof in zijn noot een consistent uitgevoerde toepassing van de bewijsregels van zowel lid 2 als lid 1 van art. 2:138/248 BW. (Hof Arnhem 4 november 2008, «JOR» 2009/99, m.nt. mr. Y. Borrius)